Wat proberen kinderen ons te vertellen?
03 September 2026
Terwijl politici zich zorgen maken over economische groei en concurrentiekracht, groeit in de schaduw een andere groep: kinderen die niet meer meedoen. Ze worden ‘thuiszitters’ genoemd. Kinderen en jongeren die niet of nauwelijks naar school gaan. Het Kinderrechtencommissariaat bracht een dossier uit over deze vaak onzichtbare groep en formuleerde 70 aanbevelingen. Om hen beter te begeleiden en opnieuw aansluiting te laten vinden bij onderwijs en samenleving.Dat is noodzakelijk werk. Geen enkel kind mag uit beeld verdwijnen.
Na het lezen van het dossier bleef ik met een vraag zitten. Wat als thuiszitters niet alleen een probleem zijn dat opgelost moet worden? Wat als zij ons ook iets proberen te vertellen?
Achter het begrip thuiszitter gaan verschillende verhalen schuil: kinderen met angst, jongeren met autisme, slachtoffers van pestgedrag, leerlingen die vastlopen in een schoolsysteem dat onvoldoende ruimte biedt voor hun noden. Hun situatie vraagt zorg, begrip en ondersteuning.
Vlaanderen staat daarin niet alleen.
Ook in andere welvarende landen groeit de bezorgdheid over jongeren die zich terugtrekken uit onderwijs en samenleving. Toch dringt zich een vraag op wanneer deze fenomenen opduiken in landen die economisch succesvol en technologisch hoog ontwikkeld zijn, maar ook sterk gericht op prestaties.
Onze samenleving draait steeds sneller. Alles moet groter, efficiënter en productiever. We meten, vergelijken en evalueren. Kinderen groeien op in een cultuur van verwachtingen. Tegelijk worden zij geconfronteerd met klimaatverandering, oorlogen, polarisering en een natuur die steeds verder onder druk staat. Ze zien volwassenen discussiëren over groei, terwijl de aarde opwarmt.
Misschien voelen kinderen scherper hoe vermoeiend deze versnelling is. Misschien drukt hun situatie iets uit wat breder leeft: een behoefte aan rust, veiligheid en ruimte om gewoon mens te zijn, zonder voortdurend te moeten presteren. Thuiszitten is geen wenselijke keuze. Wie langdurig thuis zit, dreigt onderwijs, vrienden en kansen om zich te ontwikkelen te missen. Isolement is geen oplossing.
Misschien moeten we naast de vraag hoe we deze kinderen opnieuw kunnen laten deelnemen, ook vragen ‘waaraan we hen eigenlijk willen laten deelnemen’? Aan een samenleving waarin iedereen steeds harder moet lopen? Of aan een samenleving die vertrouwen heeft om af en toe te vertragen?
Het Kinderrechtencommissariaat vraagt terecht meer samenwerking tussen onderwijs, welzijn en zorg.
Maar er ligt ook een opdracht voor ons allemaal. Minder haast. Minder druk. Minder blind geloof dat meer altijd beter is. Meer tijd voor elkaar.
Meer aandacht voor wie het moeilijk heeft. Meer plekken waar kinderen en jongeren zich gezien weten.
Misschien zijn dat precies de dingen waar onze kinderen naar verlangen.
En misschien moeten wij volwassenen beter luisteren wanneer sommigen onder hen afhaken. Niet omdat zij de oplossing kennen voor alle problemen van onze tijd, maar omdat hun stilte ons een vraag stelt die we niet mogen negeren: hoe willen wij samenleven?
Joost Fillet