Waarom het GPMI mensen in armoede tekort doet
04 Maart 2026
Het gedicht op de vorige pagina vertrekt vanuit vier letters: GPMI, het Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie. Wat in beleidsdocumenten wordt voorgesteld als een begeleidend instrument op maat, wordt door veel mensen in armoede ervaren als iets heel anders: een contract dat men moet ondertekenen om te mogen overleven.
Ooit was maatschappelijke dienstverlening gebaseerd op het idee van een recht. Wie in moeilijkheden zat, kon rekenen op ondersteuning, vanuit het besef dat armoede een maatschappelijk probleem is en geen individueel falen. De voorbije decennia is dat uitgangspunt langzaam verschoven. Hulp werd steeds meer gekoppeld aan voorwaarden, verplichtingen en controle. Het GPMI is daar een uitgesproken voorbeeld van.
In theorie is het project “geïndividualiseerd”: afspraken worden samen gemaakt, rekening houdend met de situatie en mogelijkheden van de betrokkene. Dat klinkt goed, maar in de praktijk ervaren veel mensen het als een eenzijdig opgelegd traject, waarin zij weinig zeggenschap hebben.
Wie steun nodig heeft, moet bewijzen dat hij voldoende gemotiveerd is, voldoende meewerkt, voldoende vooruitgang boekt. De relatie tussen hulpverlener en hulpvrager verschuift zo van partnerschap naar hiërarchie.
Het ‘Netwerk tegen Armoede’ wijst erop dat de aanpak van het GPMI vertrekt vanuit wantrouwen. Alsof mensen in armoede van nature niet zouden willen werken, leren of participeren, en enkel via druk en dreiging tot ‘juist gedrag’ kunnen worden aangezet. Dat wantrouwen vertaalt zich in sancties: schorsingen, inhoudingen, tijdelijke of volledige stopzetting van het leefloon.
Voor wie al op de rand leeft, betekent dat een onmiddellijke duik in nog diepere onzekerheid. Bovendien houdt het GPMI onvoldoende rekening met de complexiteit van armoede. Gezondheidsproblemen, psychische kwetsbaarheid, mantelzorg, administratieve overbelasting, taalbarrières of simpelweg de dagelijkse stress van tekort: het zijn factoren die niet verdwijnen door ze op papier te negeren. Toch worden ze vaak herleid tot ‘onvoldoende inzet’ of ‘gebrek aan motivatie’.
Het gedicht benoemt wat in beleidscontexten zelden hardop wordt gezegd: dat deze manier van werken beschamend en ontmenselijkend kan zijn. Taal als ‘activering’, ‘integratie’ en ‘verantwoordelijkheid’ klinkt neutraal, maar maskeert vaak een moreel oordeel. Wie niet kan volgen, wordt niet alleen uitgesloten van steun, maar ook impliciet schuldig verklaard.
Daarom pleit het ‘Netwerk tegen Armoede’ voor een fundamentele koerswijziging. Niet méér voorwaarden of strakkere controle, maar kwaliteitsvolle begeleiding die vertrekt vanuit vertrouwen en vrijwilligheid. Begeleiding die tijd geeft, luistert, en mensen ondersteunt in hun eigen tempo. Sociale bescherming moet opnieuw vertrekken vanuit de erkenning van menselijke waardigheid, niet vanuit een contractlogica.
Dit gedicht is geen aanval op individuele hulpverleners, die vaak zelf vastzitten in een strak en sanctionerend kader. Het is wel een aanklacht tegen een systeem dat steun heeft verward met discipline. En een oproep om opnieuw te durven kiezen voor solidariteit, in plaats van voor wantrouwen.
Joost Fillet