MILIEU – GEZONDHEID EN OUDEREN

 

HET RECHT OP EEN GEZONDE OUDE DAG

 

 

Inleiding

 

Milieu/gezondheid – kwetsbare groepen

 

In de maatschappelijke beleidsnota ‘Milieu en Gezondheid’ en de motie van aanbeveling die hierover werd goedgekeurd in het Vlaams Parlement in 2001 werd aangedrongen op een voorzorgsbeleid dat maximaal rekening houdt met de gezondheidsrisico’s voor de meest kwetsbare groepen in de samenleving.

Ook in het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid wordt gesteld dat de Vlaamse Regering bijzondere aandacht dient te besteden aan ‘bevolkingsgroepen die in een grotere mate zijn blootgesteld aan bedreigingen van hun gezondheid’.

 

Zo is de groep van kinderen meer kwetsbaar voor schadelijke milieu-invloeden of voor het effect van vervuilende stoffen. Omdat het immuunsysteem van kinderen nog onvoldoende ontwikkeld is en omdat kinderen dikwijls meer dan volwassenen blootstaan aan vervuilende stoffen. Vanuit de Europese Commissie en de Wereld Gezondheids Organisatie wordt daarom al enige tijd aangedrongen op een specifiek beleid gericht op kinderen, gezondheid en milieu (cf. bv. ‘Children’s Health and environment : a review of evidence”, Europees Milieubureau, 2002).

 

Oudere mensen zijn een vergelijkbare risicogroep. Maar van doorgedreven onderzoek naar de relatie tussen milieu-effecten en gezondheidsproblemen bij ouderen was tot nu toe geen sprake. Internationaal groeit nochtans de interesse voor de relatie tussen leefmilieu en ouder worden. Het Amerikaans Milieubureau startte eind 2002 een ambitieus programma ‘The National Agenda for the Environment and the Aging’ of kortweg het ‘Aging Initiative’.

(zie : http://www.epa.gov/aging/ )

 

Met dit initiatief wil de Amerikaanse overheid drie doelstellingen bereiken :

 

  1. Een inventarisatie van milieurisico’s die de gezondheid en de levenskwaliteit van oudere mensen bedreigen en het uitstippelen van een beleid dat hieraan kan verhelpen,
  2. De verkenning – omgekeerd – van de gevolgen voor het leefmilieu van een vergrijzende samenleving en een groeiende groep van actieve senioren,
  3. Het onderzoek naar nieuwe mogelijkheden voor oudere burgers om als vrijwilligers bij te dragen tot een betere leefomgeving voor alle generaties.

 

Milieu wordt daarbij zowel in de meer enge betekenis gehanteerd (‘milieuvervuiling’) als in een meer ruimere betekenis (de som van blootstelling aan vervuilende stoffen in het buiten- én in het binnenmilieu, de voeding, de levensstijl (met critische factoren als roken, al dan niet veel bewegen,..), stress en – van groot belang voor senioren – het al dan niet aangepast gebruik van medicatie. Ten slotte wordt ook de interactie tussen de individuele genetische constitutie en het leefmilieu meegenomen.

 

Ecologische basisrechten voor ouderen

 

Het recht op een gezonde oude dag in een gezonde leefomgeving is een ecologisch basisrecht voor alle ouderen, dat kan afgeleid worden van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Uit het bestaand federaal ‘Handvest van de Rechten van de Ouderen’ kunnen volgende principes gepuurd worden, die in deze context relevant zijn :

 

° het recht om de menselijke bekwaamheden volledig te ontwikkelen

° het recht op dienstverlening en bijstand met het oog op een meer zelfstandig leven

° de vrije keuze van levenswijze, zelfs in geval van verlies van zelfredzaamheid

° de solidariteit tussen de generaties

°  het recht op geestelijke en fysieke gezondheid, op preventiemaatregelen, op revalidatie en op wettelijke bescherming in geval van verzorging

° het recht te leven in een omgeving zonder gevaar die in overeenstemming is met hun middelen

° het recht om zo lang mogelijk thuis te blijven, indien nodig dankzij aangepaste hulp en solidariteitsnetwerken.

° het recht op een verantwoord burgerschap en op het deelnemen aan collectieve beslissingen door aanwezigheid en werkelijke vertegenwoordiging in de bevoegde instanties.

 

Door de aandacht voor het ecologische komt veel meer de aandacht te liggen op voorzorg en preventie en kunnen nieuwe rechten afgeleid worden :

 

  1. Het recht op zuivere lucht – het recht om onbezorgd te ademen
  2. Het recht op een gezond “leef-klimaat” binnenshuis en buitenshuis
  3. Het recht op chemische hygiëne rekening houdend met de extra gevoeligheid voor toxische stoffen op latere leeftijd – recht op volledige productinformatie
  4. Het recht op een zuivere bodem
  5. Het recht op veilig en gezond voedsel en water zonder schadelijke resten
  6. Het recht op een evenwichtige verzorging en medicatie
  7. Het recht op ruimte om te leven en het recht om zich vrijelijk en veilig te verplaatsen
  8. Het recht op een verkwikkende slaap
  9. Het recht op volwaardige betrokkenheid bij alle beslissingen die van belang zijn voor de eigen leefomgeving en leefgewoonten.
  10. Milieugebruiksrechten voor actieve senioren.

 

Gezond ouder worden

 

Juist voor ouderen maakt het slagen of falen van een Milieu/Gezondheidsbeleid alle verschil : het gaat immers om het verzekeren van hun levenskwaliteit ook op latere leeftijd . Het objectief is de verhoging van het aantal levensjaren dat men kan doorbrengen in goede gezondheid. Wat veel belangrijker is dan de levensverwachting in enge zin. Deze levensverwachting neemt voortdurend toe dankzij de wonderen van de medische techniek.

 

In Vlaanderen bedraagt de levensverwachting gemiddeld 76 jaar voor mannen en 81,9 jaren voor vrouwen. Maar het percentage per leeftijdsgroep van de bevolking dat zich niet gezond voelt, stijgt van 12,8% (tussen 35 en 44 jaar) naar 41,8% (tussen 65 en 74 jaar) en zelfs tot 53,3% (vanaf  75 jaar) (VRIND, 2002). Om en bij de helft van de ouderen voelt zich dus niet goed in zijn vel…

 

Milieu-factoren bepalen mee in welke mate de verlengde levensduur ook een periode van levenskwaliteit zal zijn waarin senioren actief kunnen blijven of  actief kunnen genieten van hun oude dag.

 

In een CBGS-studie van 1998 wordt berekend dat de levensverwachting in minder goede gezondheid op basis van een reeks criteria (ADL-beperkingen, mobiliteitsbeperkingen, ziekte, mentale problemen, eenzaamheid) relatief hoog ligt, vooral bij vrouwen. Bv. op 65-jarige leeftijd lag de levensverwachting-met-dementie gemiddeld op 1,58 jaar voor vrouwen en op 0,62 jaar voor mannen. “Het beleid moet erop gericht zijn leven toe te voegen aan de jaren en niet zozeer jaren aan het leven”, besluit de auteur… (Gilbert Dooghe, Additionele Levensjaren in goede en minder goede gezondheid, CBGS Document 1998/6).

 

De blootstelling aan vervuilende stoffen een leven lang (accumulatie), zal juist op latere leeftijd mee leiden tot verlies aan onafhankelijkheid, chronische ziekten, overgevoeligheid voor nog eens bijkomende effecten of  in fatale ontwikkelingen als astma, hartaandoeningen of kanker.

 

Tegelijk is het een biologisch gegeven dat de weerstand van ouderen tegen toxische invloeden afneemt (bv. de afname van de immuniteitsfuncties van de thymus (zwezerik) na de middelbare leeftijd) en dat de kans op auto-immuunreacties (ontregeling van de afweermechanismen) toeneemt.  Bovendien staan zeker hoogbejaarden door de geleidelijke verenging van hun leefwereld, soms meer dan mensen op meer actieve/middelbare leeftijd aanhoudend bloot aan steeds dezelfde negatieve invloeden (bv. van binnenhuisvervuiling).

 

Net als kinderen zijn ouderen dus meer kwetsbaar en lopen ze meer risico als het over milieu-invloeden gaat.



Ouderdomskwalen of milieukwalen?

 

Maar ouder worden hoeft niet noodzakelijk gepaard te gaan met chronische ziekten.

De hypothese aan de grondslag van het onderzoek van de Amerikaanse Nationale Wetenschapsacademie naar milieu en gezondheid [1]bij ouderen, was juist dat “old age can occur in the absence of disease”. Veel aan veroudering toegeschreven ziekten, of ziekten die als inherent aan ouder worden, beschouwd worden, worden wellicht eerder bepaald door externe (door milieu-) factoren. Een sterke indicatie in die richting vormt het feit dat een aantal van deze ouderdomsziekten in niet-westerse landen niet (in die mate) voorkomt. Het zijn vooral ouderen  die getroffen worden door de zgn. ‘beschavingsziekten’ of milieuziekten.

 

Doel van een volwaardig voorzorgsbeleid moet dan zijn ‘preventing environmentally induced age-associated diseases’, m.a.w. het voorkomen van kwalen die worden op gang gezet door milieufactoren en die doorgaans (maar tot op zekere hoogte wellicht ten onrechte) als ouderdomskwalen beschouwd worden. In die zin ontwikkelt zich een nieuwe tak van de studie van het ouder worden : de integratie van gerontologie en toxicologie of  “ecologische gerontologie”.

 

Milieu-factoren veroorzaken veranderingen in het lichaam van mensen voorbij de middelbare leeftijd,  die lijken op en dikwijls  verward worden met vormen van natuurlijke veroudering.

Een goed voorbeeld is dat van “photo-aging” (dermatoheliosis), de vervroegde veroudering van de huid, met  symptomen als verruwing van de huid, rimpels, vlekken, uitzetten van bloedvaten (telangiectasia), atrofie, pseudolittekens (fibrotische depigmentatie) tot kwaadaardige neoplasia toe op gelaat, nek, handen e.a. lichaamsdelen.

“Photo-aging” en de gewone chronologische veroudering zijn nauwelijks te onderscheiden. Met behulp van een electronenmiscroscoop kan dit onderscheid echter wel gemaakt worden.

Dat de blootstelling aan de zon  de bepalende factor is voor de veroudering van de huid, staat buiten kijf. De effecten van de toegenomen UV-straling door de aantasting van de ozonlaag op verouderingsprocessen, is een heel apart studiedomein. Maar ook andere milieufactoren (chemische agentia) kunnen de vervroegde veroudering van de huid mee beďnvloeden. Het bekendste voorbeeld is sigarettenrook.

 

Even grote vragen zijn er bij de relatie tussen natuurlijk gehoorverlies bij het ouder worden (presbycusis) en het gehoorverlies door stelselmatige blootstelling aan lawaai (“Noice Induced Hearing Loss” of NIHL) en de wisselwerking van beide.

 

Een  ander voorbeeld ten slotte is dat van de invloed van toxische stoffen op het zenuwstelsel. Het Parkinson-syndroom kan bv. optreden bij arbeiders die chronisch werden blootgesteld aan stoffen als mangaanerts of carbon disulfide of bij personen vergiftigd met MPTP. Motorische storingen kunnen veroorzaakt (of verergerd) worden door blootstelling aan lood;solventen,  kunnen leiden tot zenuwaandoeningen, enz.

In het geval van de inheemse bevolking van Guam werd de band gelegd tussen blootstelling aan de cycadeplant en aan aluminium en het verhoogd risico op ontwikkeling van Parkinson/dementie (Nat.Ac, 1987).

Bepaalde medicamenten, zware metalen of industriële chemicaliën kunnen het risico op dementie aanzienlijk verhogen. In die gevallen kan het dementeringsproces bij stopzetting van deze blootstellingen, reversibel zijn.

 

Gezien het zenuwstelsel bijna even gevoelig is voor invloeden van natuurlijke veroudering als voor toxische stoffen, zijn zeker oudere mensen die al lijden aan neurale stoornissen en daarboven op dikwijls een verminderde werking hebben van lever en nieren, veel gevoeliger voor neurotoxische stoffen dan jongere volwassenen. 

 

Anders gaan leven om langer te leven

 

Milieu-invloeden of toxische stoffen kunnen dus in verband gebracht worden met bepaalde verouderingsprocessen, deze verergeren of vervroegd uitlokken.

Er is nood aan meer diepgaand onderzoek om uit te maken in welke mate met veroudering geassocieerde ziekten zoals kanker, arteriosclerose, diabetes, osteoarthritis, osteoporosis, cataracten, optreden van doofheid, amyotrope laterale sclerose, ziekte van Parkinson, seniele dementie van het Alzheimer-type, gekoppeld zijn aan onderliggende verouderingsprocessen en/of bijkomende milieu-invloeden.

 

Maar voor alle duidelijkheid : geen enkele vervuilende stof  kan in verband gebracht worden met het optreden van alle verouderingsprocessen tegelijkertijd (er is dus geen enkel oorzakelijk verband aangetoond tussen vervuiling en veroudering als dusdanig…).

 

De conclusie van de Amerikaanse studie is in elk geval dat chemische stoffen steeds zouden moeten onderzocht worden op hun potentieel om het verouderingsproces te beďnvloeden of ouderdomsziekten uit te lokken of te verergeren.

 

Door in te grijpen op de leefomgeving van ouderen kan dus waarschijnlijk in belangrijke mate bijgedragen worden aan hun leefkwaliteit (minder kwalen) en zelfs aan hun levensduur.

 

Maar wonderen moeten voorlopig niet verwacht worden.Er is nog teveel wetenschappelijke onzekerheid over de aard en/of de oorzaken van het verouderingsproces  zelf. In dat licht is het vooralsnog zinloos om tot een systematische screening over te gaan van alle milieupolluenten en hun invloed op veroudering. Er zal op korte termijn eerder moeten gewerkt worden met een beperkte groep referentie-agentia (biomarkers) die men in verband kan trachten te brengen met biologische merkers van veroudering. Dat is tot nu toe de Amerikaanse aanbeveling. Daarbij komen we dus dicht in de buurt van het soort biomonitoring-onderzoek dat inmiddels op grote schaal gebeurt in Vlaanderen. Het volwaardig integreren van de doelgroep ouderen in de lopende milieu-gezondheidsonderzoeken in Vlaanderen lijkt dan ook absoluut aangewezen.

 

 

 

Zie ook : Bijlage 1

 

·        Aging Research: The Future Face of Environmental Health

·         Toward a New Understanding of Aging

 


 

 

 

ECOLOGISCHE BASISRECHTEN VOOR OUDEREN

 

1.      HET RECHT OP ZUIVERE LUCHT – OP ONBEZORGD ADEMHALEN

 

 

1.1. Luchtvervuiling : het ongewild cynisme van het begrip ‘voortijdige sterfte’

 

De Wereld Gezondheidsorganisatie schat het jaarlijks aantal doden door luchtvervuiling wereldwijd op 3 miljoen mensen (drie keer meer dan het gemiddeld aantal verkeersslachtoffers per jaar in de wereld). Voor Europa wordt het aantal doden door fijne stofdeeltjes per jaar door de WGO/Europa nu officieel op 100.000 geschat (cf. World Health Report 2002 - The Lancet, 30/10/2002). De VMM berekende op basis van een vroeger Europees onderzoek in Frankrijk, Oostenrijk en Zwitserland (The Lancet, 2000) het aantal doden per jaar door luchtvervuiling in ons land op een goede 6.000, waarvan 3000 te wijten aan vervuiling door het verkeer ( vs. een gemiddelde van 1300 verkeersdoden in België per jaar).

 

Bij de genoemde slachtoffers gaat het bijna steeds om senioren.

Hoewel niemand dit openlijk zal toegeven, wordt daar dikwijls cynischerwijze bij gedacht : OK, maar het gaat dan wel om mensen die sowieso al ziekelijk waren en niet lang meer te leven hadden. De term die onderzoekers in dit verband gebruiken ‘voortijdige of vroegtijdige  sterfte’ kan aanleiding geven tot een dergelijke misplaatste interpretatie. In feite bedoelen de wetenschappers hiermee ‘vermijdbare sterfte’, overlijdens die hadden kunnen vermeden worden. Dus niet mensen die enkele weken of maanden langer hadden kunnen leven, maar mensen die in het beste geval nog vele goede jaren voor zich hadden.

 

De analyse van de hittegolf/ozonpieken in het ozon-rampjaar 1994 in België maakt dit duidelijk. In dat jaar werd  er door het IHE een ‘voortijdige of vermijdbare sterfte’  van 1226 mensen vastgesteld te wijten aan een combinatie van zomersmog en hittegolf. 80,8% van de slachtoffers was ouder dan 65 jaar.

Hoe kwam men tot dat getal van 1226 ?

In de feiten ging het om een ‘oversterfte’ (meer sterfgevallen dan gebruikelijk in die periode van het jaar)  tijdens de hittegolf (27/6 tot 7/8/1994) van 236 mensen beneden de 65 en 1168 mensen boven de 65. Daarnaast werd een ‘ondersterfte’ vastgesteld  van 178 mensen in de periode van 8/8 tot 15/9/199,  vlak na de hittegolf. Het gaat dus om 178 mensen die enkele weken vroeger bezweken dan kon verwacht worden. Enkel deze laatste groep kan men bestempelen als niet-vermijdbare sterfgevallen, mensen die zo zwak waren dat ze toch niet

lang meer te leven hadden en waarbij de externe factoren (hitte – ozon) enkel een laatste stootje gegeven hebben.

Alle andere sterfgevallen waren dus wel vermijdbaar : 1226 mensen in totaal, 990 mensen boven de 65 die omgekomen zijn door hitte en ozon, en dat op één maand tijd!

 

(cf. IHE/Ircel, Oversterfte verbonden aan het voorkomen van een warmtegolf en fotochemische luchtverontreiniging tijdens de zomer van 1994, april 1995).

 

Ouderen zijn dus veruit de meest kwetsbare groep voor gezondheidsproblemen die samenhangen met luchtvervuiling (bv. ozon of  fijne stofdeeltjes). Het gaat met name om een fors hoger risico op voortijdige sterfte aan longkanker, astma, longontsteking, emfyseem, chronische bronchitis, hartaanvallen en beroertes.

 

Vooral ouderen die kampen met aandoeningen aan de luchtwegen (vormen van astma) of mensen met hart- en vaataandoeningen zijn extra kwetsbaar. Dat blijkt uit het aantal ziekenhuisopnames na opstoten van luchtvervuiling.

 

De hittegolf en ozonpieken van 2003 zorgden voor een vervroegd overlijden van maar liefst 1300 (oudere) mensen. Eerst had men nochtans beweerd dat er geen dodelijke slachtoffers waren gevallen in Vlaanderen (in tegenstelling tot de 11.000 doden in Frankrijk). In september 2003 sprak men zelfs van minder zomerdoden dan normaal.  Experten waarschuwden toen al dat dit geen steek hield.

In februari 2004 raakten de officiële cijfers bekend : het ging om 1300 extra overlijdens. 

 

Intussen is door de federale overheid een noodplan voor hittegolven goedgekeurd, maar ook hier hebben experten veel vragen bij (zie : http://www.health.fgov.be/AGP/Canicule/NL/planactionnl.pdf).

 

 

Zie : bijlage 2 : VMM :

 

Milieuverontreiniging kost Vlaming gemiddeld 5 gezonde levensmaanden,

------------------------------

Zie bijlage 3 :

 

Persartikels over impact hittegolf 2003

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.2. Luchtvervuiling en hartproblemen

 

Vooral de directe band tussen kleine deeltjes-vervuiling en hartaandoeningen is zorgwekkend.

Naar schatting 1/4de van de ouderen heeft hartproblemen.

Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt dat pieken van luchtvervuiling het aantal fatale hart- en bloedvaataandoeningen op korte termijn doen toenemen. Vooral het ultrafijne zwevende stof afkomstig van verkeer speelt een nefaste rol.

Tot nog toe werd aangenomen dat stof dat in de longblaasjes terecht komt, niet of zeer traag in het bloed geraakt. Bij een experiment waarbij 5 gezonde proefpersonen koolstofdeeltjes kleiner dan 0,1 micron inademden, stelden de KUL - professoren Ben Nemery en Peter Hoet echter vast deze al na één minuut in het bloed terechtkomen. Dit laatste zou dan ook het geval zijn voor het ultrafijne stof dat sterk lijkt op deze koolstofdeeltjes (cf. UZ Gezondheidsbrief, augustus 2002). De luchtpollutie zou de stolling en taaiheid van het bloed bevorderen, wat zou bijdragen tot de vorming van bloedklonters en de algemene belasting zeker voor hartlijders zou doen toenemen.

Conclusie van de onderzoekers : de overheid moet bij luchtvervuiling niet enkel mensen met ernstige ademhalingsproblemen waarschuwen, maar zeker ook al wie lijdt aan ernstige hart- en vaataandoeningen.

 

De cijfers die de onderzoekers aanhalen liegen er niet om : voor elke toename van de kleine stofdeeltjes (PM 10) met 10 µg/m3 op korte termijn, zou het aantal overlijdens stijgen met 1%, het aantal  fatale aandoeningen van hart- en bloedvaten met 1,5 %, het aantal ziekenhuisopnames met 2,5% en het aantal fatale luchtwegaandoeningen met 3,5%.

 

Boston-studie : direct verband met risico op hartaanval

 

Het effect van kleine stofdeeltjes op hartaanvallen  werd bevestigd in een wetenschappelijke studie verricht te Boston waar onderzoekers de medische geschiedenis natrokken van 722 mensen die recent in een ziekenhuis te Boston waren opgenomen omwille van  hartaanvallen. Tegelijk werden de concentraties aan polluenten gemeten op verschillende plaatsten en tijdstippen in Boston (zo bv. voor PM 2,5 – ozon – CO – SO2 en NOX). Uit de analyse bleek dat de deelnemers aan het onderzoek een 50% toename van risico op een hartaanval hadden in de twee uren volgend op een blootstelling aan hoge niveaus van fijne stofdeeltjes. (Circulation, 12 juni 2002).

 

 

Zie ook : EHP, Environmental Cardiology : Getting to the Heart of the Matter, november 2004 : http://ehp.niehs.nih.gov/members/2004/112-15/focus.html

 

 

 

Zie bijlage  4 : 10669 vervroegde overlijdens in België door fijn stof

-------------------------------

 

 

 

  1. HET RECHT OP EEN GEZOND EN VEILIG LEEF-KLIMAAT

 

2.1. Een gezond en veilig milieu ook bij de mensen thuis

 

Binnenhuisvervuiling

 

De meeste mensen brengen 70% of meer van hun tijd binnenshuis door, en een groot deel daarvan binnen de eigen woning. Het Amerikaans Milieubureau (EPA) rangschikt de binnenhuisvervuiling bij de top vijf van gezondheidsrisico’s. De slechte kwaliteit van het binnenhuismilieu is een belangrijke factor in het ontstaan van aandoeningen zoals astma, allergieën, chronische vermoeidheid, verhoogde gevoeligheid voor chemische producten, enz.

Oorzaken zijn chemische stoffen zoals oplosmiddelen, insecticiden, formaldehyde, gassen (bv. CO, sigarettenrook, benzeen), zware metalen , asbest,..  Maar ook biologische vervuilers (schimmels, bacteriën,..), straling, enz.

En opnieuw : oudere mensen brengen het meest thuis binnenshuis door. Sociaal zwakkere ouderen slijten dikwijls hun dagen in minder gezonde woningen en staan het meest bloot aan vormen van binnenhuisvervuiling. Maar ook meer welgestelde ouderen in betere woningen kunnen toch overgevoelig blijken voor vormen van niet-aflatende blootstelling aan bepaalde producten, uitwasemingen, schimmels of stralingen.

 

Ouderen hebben het recht om zo lang mogelijk thuis te blijven wonen, in hun vertrouwde omgeving. Maar dan kan een minimale begeleiding van mensen aan huis, ook wat de kwaliteit van het woon-milieu betreft, een grote hulp zijn.

 

In opvolging van de aanbevelingen van de Commissie Milieu/Gezondheid die in het Vlaams Parlement vorig jaar unaniem werden goedgekeurd, willen we dat er verder werk gemaakt wordt van een structurele aanpak van de milieu- en gezondheidsproblemen binnenshuis.

 

Het recht op gezonde lucht ook binnen woningen en gebouwen is een ecologisch basisrecht. Wie bouwt, verbouwt of woningen onderhoudt, is verantwoordelijk voor het binnenmilieu en eventuele gezondheidseffecten. Vanuit de huisvestingsadministratie verwachten we een ‘code van goede praktijk’ voor duurzaam en gezond bouwen.

 

In diverse landen, ook in de beide andere gewesten in België wordt met succes de formule toegepast van milieu-onderzoeken aan huis. In het buitenland bestaan er al verschillende plaatsen milieu-ambulante diensten (“ambulances vertes”) die bij gezondheidsklachten aan huis komen om de vervuilingsbron op te sporen en aan te pakken.

Ook in Vlaanderen is een dergelijke structurele aan pak nodig : via de LOGO’s en andere eerstelijnswerkers en  via de Vlaamse Gezondheidsinspectie. Zelfs t.a.v. het  meest bekende probleem van binnenhuisvervuiling, dat van de CO-intoxicatie, gebeurt dit nu onvoldoende. Een milieu-inspectie aan huis moet een basisrecht worden bij ernstige gezondheidsproblemen. Via gemeenten, huisvestingsdiensten, huisartsen of andere gezondheidswerkers, kan een milieu-huisbezoek aangevraagd worden.

 

Als bij mensen thuis inderdaad een vervuiling wordt vastgesteld die slecht is voor hun gezondheid, moet er ook werk gemaakt wordt van oplossingen. Dit kan via het instellen van een premie voor het aanpassen van woningen omwille van problemen met een ongezond binnenmilieu. In eerste instantie denken we aan woningen van de lagere inkomensklassen, waar zich ook de grootste problemen situeren.

 

Voor meer info : binnenhuisvervuiling : zie brochure “Wonen En Gezondheid” van de Vlaamse Administratie Gezondheidszorg : http://www.wvc.vlaanderen.be/gezondmilieu/index.htm )

 

 

Preventie van letsels door ongevallen thuis

 

Vallen in de thuisomgeving komt vaak voor op hogere leeftijd. Ongeveer één derde van alle 65-plussers rapporteert minstens één val per jaar. Het aantal valpartijen neemt toe met de leeftijd. Ouderen vallen makkelijker en de gevolgen van een val zijn ernstiger. De oorzaak van het hoog aantal valpartijen heeft te maken met de slechtere fysieke conditie van ouderen (slechter te been). Maar ook een reeks externe oorzaken kunnen onderscheiden worden : gevaarlijke trappen, hoge drempels, onvoldoende verlichting, afwezigheid van slipmatjes, enz. Welzijns- of gezondheidswerkers die bij mensen aan huis komen zouden aan de hand van een checklist effectief aandacht moeten besteden aan valpreventie (cf. WVVH-taakgroep preventie, Preventie van letsels tengevolge van vallen bij 65-plussers, 2001). Het doorbreken van het sociaal isolement van ouderen is van cruciaal belang.

 

Ook de Wereld Gezondheidsorganisatie legt in die zin de nadruk op de kwaliteit van de fysieke en de sociale milieu van ouderen (‘Active Ageing : A Policy Framework’, 2002).

 

2.2.  Extreme temperaturen als risico

 

Het risico om te sterven door extreme temperaturen (hyperthermie – hitte)  of hypothermie (onderkoeling) is in de VS voor ouderen van de leeftijdsgroep 65-75 jaar dubbel zo groot als voor mensen van middelbare leeftijd (leeftijdsgroep 45-55 jaar). Boven de 85 wordt het risico zes keer zo hoog… (cf. Nat. AC., workshop 6/12)  Het wraakroepende is dat het hier meestal om vermijdbare sterfgevallen gaat. In feite is niet het weer de oorzaak van deze overlijdens, maar de sociale isolatie van deze mensen. Dat heeft ook te maken met  fouten in het gebouwde milieu en de sociale infrastructuur. Woont men in een omgeving/wijk/architectuur die uitnodigt tot contact of die isolement juist uitlokt? En op welke informele, buurt- of welzijnsnetwerken kan men terugvallen?

Volgens de Vlaamse Gezondheidsindicatoren 2002  beschikken 19,1% van de hoogbejaarden over een beperkt sociaal netwerk (max. 3 personen), 7,4% heeft minder dan één keer per maand contact met derden…

In extreme (klimatologische) omstandigheden kan dit fataal worden.

 

Onderkoeling

 

Dat geldt zeker voor de gevallen van hypothermie : oudere mensen die de thermostaat lager zetten om te besparen op verwarmingskosten en daardoor het risico lopen van onderkoeling. Vooral ouderen die niet behoorlijk eten, teveel medicatie nemen, alcohol drinken of symptomen vertonen als arthritis, Alzheimer, Parkinson of beroerten, lopen een groot risico.

 

Hitte

 

Het tegengesteld probleem is dat van ‘hittestress’ tijdens hittegolven of andere aanhoudende warmteperiodes. Een gebrek aan aangepaste air conditioning of ventilatie tout court, onaangepast eten en drinken, kunnen evenzeer fataal worden en leiden tot hyperthermie, uitdroging. Als het heet wordt, wordt het bloed dikker. Ouderen met hart- en vaataandoeningenn lopen dan een hoog bijkomend risico.

 

Maar uit onderzoek aan de Nederlandse Erasmusuniversiteit is gebleken dat ouderen met neurologische kwalen (Alzheimer, Parkinson of Korsakov-syndroom) de grootste risicogroep zijn omdat zij hun gedrag niet aanpassen (dunnere kleren aantrekken, meer drinken, bij een ventilator gaan zitten,..) (Mackenbach, 1997).

 

De kans dat periodes van overmatige hitte zich meer zullen voordoen in de toekomst is – gezien het algemeen klimaatprobleem - bijzonder groot, net als de kans dat de problemen nog acuter zullen worden door de interactie met vormen van luchtvervuiling (cf. Climate Change and Human Health, WHO, 1996). De Wereld Gezondheids Organisatie dringt dan ook aan op de instelling van “weather/watch warning systems” . Wat veel meer dient in te houden dan een waarschuwing op TV bij het weerbericht voor ozonpieken of een hoge UV-index de dag daarop. In feite is er nood aan aangepaste noodprogramma’s telkens dagen of perioden met extreme weersomstandigheden aangekondigd worden. Informatieverstrekking via de media moet minstens een soort van ‘health alert’ inhouden gevolgd door concrete aanbevelingen gericht op de meest kwetsbare groepen (i.c. hoogbejaarden) hoe men in eigen huis dient om te gaan met de aangekondigde extreme temperaturen. Tegelijk dient werk gemaakt te worden van de (preventieve) inschakeling van gezondheids- en hulpdiensten en een bijzondere waakzaamheid t.a.v. alle soorten openbare nutsverplichtingen (garanties op voldoende water, electriciteit, brandstof,..)

 

 

 

 

 

 

 

http://www.euro.who.int/document/E82629.pdf

 

Alertheid vooraf van gezondheids- en welzijnswerkers  t.a.v. deze problemen is absoluut nodig : wat inhoudt dat ze ook voldoende bij mensen aan huis moeten komen. Het doorbreken van sociaal isolement is de hoofdvoorwaarde, meer buurtbetrokkenheid, maar ook voldoende zicht op de leefkwaliteit binnenin woningen, is noodzakelijk  ten slotte moet er ook op deskundige wijze hulp kunnen geboden worden als er zware problemen vastgesteld worden : inzake isolatie en verwarming enerzijds, of air conditioning, ventilatie anderzijds.

 

De oversterfte deze zomer in Frankrijk, toont aan hoe groot de gevolgen kunnen zijn van een falend beleid terzake.

 

In aanvulling op het federaal noodplan werkte de Vlaamse overheid preventietips uit (zie : http://www.wvc.vlaanderen.be/eerstelijnsgezondheidszorg/hittegolf/preventietips.htm)

Of dit volstaat, is niet zeker.

 

2.3.UV-straling – de aftakeling van de huid en de ogen

 

Huid

 

Als je de huid die voortdurend blootgesteld is aan de zon vergelijkt met meer beschermde huidzones, dan blijkt overduidelijk dat blootstelling aan de zon en aan UV-stralen, de bepalende factor is voor de veroudering en de mogelijke aantasting van de huid. Vandaar het onderscheid tussen intrinsieke of natuurlijke veroudering van de huid en veroudering door zonlicht (photo-aging). 90% van hinderlijke vormen van veroudering van de huid, zijn toe te schrijven aan ‘photo-aging’ eerder dan aan natuurlijke veroudering.  Door overmatige blootstelling aan zonlicht in de eerste levensfasen, wordt het risico op huidziekte of kanker op oudere leeftijd fors verhoogd.

Ouderen zijn daardoor ook bijzonder kwetsbaar op bijkomende schade door overmatige blootstelling aan de zon. Maar veel ouderen beseffen dit onvoldoende en beschermen zich te weinig, of op de verkeerde manier.

 

Het risico op huidkanker en meer inz. het kwaadaardige melanoom is de voorbije decennia met een factor 20 toegenomen. Dat heeft vooral te maken met andere recreatiegewoonten (overmatig zonnebaden, bv. in zonnige vakantie-oorden tijdens een wintervakantie), maar ook met de verdunning van de ozonlaag waardoor de remming van de schadelijke UV-straling is afgenomen.

 

Mannen boven de 50 jaar lopen het hoogste risico op de ontwikkeling van een melanoom. In de VS zijn ze goed voor meer dan de helft van de 7400 melanoomdoden per jaar.

 

Factoren die het risico op huidkanker op oudere leeftijd in de hand werken :

 

° de cumulatieve blootstelling aan UV-straling gedurende de hele levensloop

° verminderde immuniteit (kleiner aantal Langerhalscellen in het epidermis – verminderde T-cel-functie in het algemeen, ook in de huid)

° kleiner aantal pigmentcellen om een barričre op te werpen tegen UV-stralen

° ontregeling van de keratinocyte proliferatie (wat leidt tot het ontstaan van kankercellen)

° afname van de DNA-herstel-functie

 

Waarschuwingscampagnes specifiek gericht op ouderen, zijn nodig. De overheid zou overigens voor heel de bevolking meer de nadruk moeten leggen op de noodzaak van beschermingsmaatregelen tegen de zon en schadelijke UV-stralen. Bedrieglijke reclame voor zgn. zonneblokkers zou moeten tegengesproken worden.  Voor risicogroepen  kunnen bepaalde beschermende producten wellicht ook gesubsidieerd worden. In elk geval is er nood aan een ruime infocampagne rond de betekenis van de UV-index en de wijze waarop dient te worden omgesprongen met zonnecrčmes en bescherminsgfactoren.

 

Cf. o.m. de wetenschappelijke bevindingen en aanbevelingen van het Steunpunt Milieu en Gezondheid (‘Gezondheidseffecten van zonnecrčmes’).

 

0gen

 

Met het ouder worden raken oogweefsels meer aangetast. Oudere mensen zien minder goed of kunnen zelfs blind worden. Voorbij de 65 krijgt 6% van de ouderen ernstige gezichtsproblemen, voorbij de 85 gaat het om 46%. Toch zijn er redenen om aan te nemen dat cataract en glaucoom misschien niet noodzakelijk natuurlijke ouderdomsverschijnselen zijn, maar dat ze minstens gedeeltelijk bepaald worden door externe factoren ((Nat.Ac, Workshop 5/12/2002).

Cataract (vertroebeling van de ooglens) komt meer voor op hooggelegen plaatsen, waar er meer UV-straling is (bv. bijzonder veel gevallen in Nepal en Tibet). Regionale verschillen zijn duidelijk : er zijn meer gevallen van cataract in India bv. dan in de VS. Diabetespatiënten lopen een veel hoger risico op het ontwikkelen van een cataract. Omdat diabetes na verloop van tijd de doorbloeding van het netvlies aantast.

Glaucoom is de aantasting van de oogzenuw door verhoogde oogdruk. Externe risicofactoren voor (chronisch open hoek) glaucoom zijn eveneens diabetes,  maar ook arteriële hyper- of hypotensie, migraine of andere algemene vaatziekten. Secundair glaucoom kan ontstaan door het innemen van medicatie (cortisonen).  Ook een tekort aan vitamine C zou de aftakeling van het netvlies in de hand werken, wat in principe dus ook voorkomen zou kunnen worden…

 

Het dragen van een zonnebril bij hoge UV-index is voor veel ouderen geen overbodig luxe. Ook hier zou de overheid bewuster kunnen op inspelen.

 

 

3.      RECHT OP CHEMISCHE HYGIENE

 

Ouderen meer gevoelig

 

Veel milieu-, product  en veiligheidsnormen zijn afgestemd op volwassen (blanke) mannen van 25 tot 45 jaar. Terecht is daar een sterke reactie tegen gekomen vanuit groepen die opkwamen voor de bescherming van kwetsbare groepen als kinderen. Met een extra veiligheidsfactor kan de hogere gevoeligheid van kinderen ingerekend worden. Kinderen hebben immers nog onvoldoende weerstand opgebouwd en staan dikwijls meer bloot aan bepaalde vervuilende stoffen dan volwassenen. Eenzelfde redenering geldt echter ook voor ouderen : zij hebben juist een stuk weerstand verloren en staan door hun manier van leven dikwijls ook meer bloot aan  bepaalde invloeden.

De milieu- en gezondheidsnormen moeten worden afgestemd op het welzijn van de meest kwetsbare groepen zoals de (oudere) ouderen. Als de normen voor kinderen en ouderen veilig zijn, vormen ze voor iedereen de beste bescherming.

 

Dit is minder evident dan het lijkt : want als we de groep van oudere senioren analyseren, blijkt dat er reeds grote subgroepen bestaan van mensen met overgevoeligheden. Bv. de groeiende groep van mensen met  hartklachten, met longziekten, astma en allergieën, mensen met reuma, mensen met MSC (‘multiple chemical sensibility’, of overgevoeligheid voor verschillende chemische producten), mensen met chronische ziekten (bv. CVS), enz.

 

Een tikkende tijdbom uit de kinderjaren?

 

De laatste tijd is er bij wetenschappers ook steeds meer aandacht voor prenatale blootstelling aan kankerverwekkende en/of hormoonverstorende stoffen. Vervuiling dus via de navelstreng in de baarmoeder. Blootstelling aan bijzonder kleine doses vervuilende stoffen zouden vóór de geboorte toch verregaande gevolgen hebben, als ze zich bv. voordoen op een kritisch moment van de foetale ontwikkeling. 

 

Ook dit is voor ouderen van groot belang. Want de effecten van prenatale blootstelling zouden pas op latere leeftijd tot uiting komen.  Je betaalt dus pas het gelag op oudere leeftijd. Zo wordt de band gelegd tussen blootstelling aan een reeks chloorpesticiden, hexachloorbenzeen of bisphenol A en de toename van borst- en prostaatkanker in veel westerse landen. Ook in eigen land blijft men zoeken naar de oorzaak van de hoge incidentie van borst- en prostaatkankers..

 

De enige echt veilige oplossing is natuurlijk het bannen van stoffen waarvan bewezen is of waarvan sterk vermoed wordt dat ze schadelijk zijn voor de gezondheid.

 

Voorzorg en voorlichting

 

Een volwaardig inclusief gezondheids- en productbeleid betekent dat maximaal met het welzijn van alle subgroepen rekening gehouden wordt.

Uiteraard zal men daarbij op grenzen stuiten. Voor sommige groepen kan men hun recht op integratie enkel waarborgen door te voorzien in een beschermd, gedeeltelijk afgeschermd milieu. Ouderen met overgevoeligheid voor bepaalde stoffen isoleren, is een noodoplossing, waar niet te snel mag worden voor gekozen. Bij residentiële opvang van ouderen, moet er in elk geval bijzondere aandacht zijn voor chemische sensitiviteit bij veel ouderen. Dit kan door bv. behoedzaam om te springen met chemische middelen in onderhoud of inrichting van homes.  

 

Uiteindelijk zijn veel mensen met overgevoeligheden of chronische aandoeningen, juist het slachtoffer van in de loop der levensjaren opgelopen ‘milieuziekten’. Zij hebben dan ook recht op een vorm van erkenning of ‘rechts-herstel’. De samenleving die de kwaliteit van leven voor heel wat mensen door lakse regels heeft aangetast, zal nu zelf haar kwaliteitsnormen moeten aanpassen aan hen die al schade opliepen.

 

Dit is geen vrijblijvende bepaling. In het federaal Richtplan Producten en de Europese doorlichting in het kader van het Witboek Chemicaliën zou dit concreet vorm kunnen krijgen.

 

Naar de ouderen toe is het van belang dat er een sluitend voorlichtingsbeleid komt. Alle mensen, en zeker oudere mensen die extra gevoelig zijn, hebben het recht te weten wat de juiste kwaliteit is van producten, welke de risico’s zijn voor meer gevoelige groepen, hoe men veilig kan omgaan met producten. De producent kan zich niet blijven wegsteken achter fabricatiegeheimen. De producent is ook steeds aansprakelijk. Veel meer dan nu het geval is moeten alle producten die enig gezondheidsrisico inhouden, vergezeld gaan van een gezondheids-bijsluiter. Verhaal van consumenten moet steeds mogelijk zijn.

 

 

 

Bijlage 5

 

STICHTING MELDPUNTENNETWERK  GEZONDHEID & MILIEU  (Nederland)

Symposium milieukwaliteit en gevoelige groepen, november 2004)

·        Huid en Omgeving – MSC

·        “Hoe chemicaliën op onverwachte wijze onze gezondheid aantasten”.

 

Bijlage 6

 

Leidt milieuvervuiling tot meer dementie?

 

 

 

4.      RECHT OP EEN ZUIVERE BODEM

 

Bodemvervvuiling één van de oorzaken van Osteoporose

 

Veel gepensioneerden koesteren hun eigen stukje grond, liefhebberen in tuinieren, telen eigen groenten. Maar niet alle grond is even proper. Het is bekend dat zware metalen een extra bedreiging inhouden voor kinderen (bv. lood in Hoboken). Maar ook ouderen zijn weer extra gevoelig voor zware metalen. En zij dragen dikwijls reeds een hele vracht mee in hun lichaam. O.a. werd reeds meermaals de band gelegd tussen de vervuiling met zware metalen en osteoporose (botontkalking of het brozen worden van de botten) bij oudere mensen.

 

De vermindering van de botmassa wordt dikwijls gezien als één van dé symptomen van het ouder worden. Botontkalking treft één op de drie vrouwen na de menopauze. Maar ook één op de 8 mannen.  Verschillende externe factoren spelen een rol. De hoofdoorzaak ligt in de voeding  : een tekort aan calcium-inname via zuivelproducten. Andere factoren : gebrek aan beweging (een te sedentair leven), hormonale factoren (een (vroegtijdige) menopauze, operatief verwijderen van de eierstokken), misbruik van slaapmiddelen (benzodiazepines en geneesmiddelen met cortisone), roken, alcohol, enz.  Ook overmatig gebruik van cafeďne zou de botmineraaldichtheid negatief beďnvloeden.

Mogelijke remedies : een aangepast ‘beender’-vriendelijk diëet, supplementaire inname van calcium en vitamine D1, minder koffie drinken, .. Een oestrogeenbehandeling na het wegnemen van de eierstokken bij vrouwen lijkt aangewezen. Of een substitutiehor-monenbehandeling voor alle vrouwen bij de menopauze en goed idee is, is minder zeker, omdat een degelijke hormonenbehandeling dan weer het risico op borstkanker zou verhogen (cf. Bulletin V/A Vl.Parl., 18-10-2002, p. 390 e.v.).

 

Maar ook milieufactoren (in de enge zin) zoals zware metalen (bv. lood) of  een teveel aan fluor kunnen leiden tot botontkalking en brozere botten.

In een studie van prof. Jan Staessens van de KUL (vervolgonderzoek PheeCad, 1999) werd vastgesteld dat het risico op botbreuken (arm-, rib- en heupfracturen) in door cadmium vervuilende gemeenten in de Noorderkempen 30 tot 40% hoger ligt dan  in de referentiegemeente Hechtel-Eksel. Vooral oudere vrouwen vormen een bijzondere risicogroep. In de vroegere Cadmibel-studie was reeds vastgesteld dat de cadmiumbelasting bij mensen uit de vervuilde regio gemiddeld 30% hoger lag. Men wist ook al dat er band was tussen  de hogere cadmiumbelasting en een verminderde nierwerking enerzijds, maar ook een verlies aan calcium anderzijds.

Het lijkt wenselijk het risico op botontkalking in gebieden met veel vervuiling door zware metalen (bv. Moretusburg – Hoboken), nader te onderzoeken.

 

Een correcte voorlichting van de bevolking omtrent de risico’s in de vervuilde gebieden (bv. een waarschuwingsbrochure om geen zelf geteelde groenten te eten) is beschikbaar, maar volstaat niet. Uiteraard moet werk gemaakt worden van de sanering zelf van deze vervuilde gronden. Conform een aanbeveling van de deskundigengroep van de Europese Commissie (‘Report on Osteoporosis in the EC – Action for Prevention’) zouden  voor risicogroepen, dus o.m. de bewoners van de sterk met zware metalen vervuilde gebieden, kosteloos  botdensiteitsmetingen moeten beschikbaar zijn.

Het stimuleren van de inname van zuivel zeker bij ouderen, moet in het verlengde van de initiatieven van het NICE (Nutrition Information Center) nog meer aandacht krijgen in de massamedia. Zestigplussers hebben volgens dit Centrum nood aan 1200 mg calcium per dag (4 glazen melk), dus meer dan kinderen en volwassenen, evenveel als zwangere vrouwen… Gezien ouderen ook de grootste risicogroep voor fracturen vormen, zouden calcium- en vitamine D-tabletten tegen minimale tarieven ter beschikking staan…

 

 

  1. HET RECHT OP VEILIG EN GEZOND VOEDSEL EN WATER

 

Oudere mensen staan het meest bloot aan vervuilende stoffen via de voeding. Voeding is dan ook de belangrijkste milieufactor die in rekening moet gebracht worden bij het onderzoek van chemische toxiciteit en ouder worden.

Voedingsgewoonten hebben grote invloed op effecten die geassocieerd worden met ouder worden. Sommige verkeerde voedingswijzen zijn zelfs de échte oorzaak van bepaalde verouderingsverschijnselen.

 

Klassiek denkt men eerst aan de residu’s van chemische stoffen in voeding of drinkwater. Denk maar aan pesticidenresten, PCB’s of dioxines, zware metalen of  bepaalde additieven. Ouderen zijn bijzonder kwetsbaar voor deze chemische resten, omdat het gaat om een belasting die komt boven op een levenslang geaccumuleerde belasting.Elke extra verhoging van de ‘body burden’ kan fataal zijn. Vandaar dat zeker naar ouderen toe de redenering van een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) tweeslachtig is : natuurlijk is het risico voor hen op de ontwikkeling van ziekte op veel latere leeftijd relatief kleiner. Maar daartegenover staat de reeds opgebouwde gifvracht uit het verleden (daterend van periodes waarin de normering dikwijls veel minder strikt was).

 

Waar milieucontaminanten in voeding (bv. dioxines) gemeten worden in picograms (miljardste van een gram), worden biologische ingrediënten van het diëet gemeten in milligram of zelfs gram, terwijl deze soms veel directer schadelijk kunnen zijn. Een tekort aan bepaalde nutriënten kan leiden tot deficiëntie-syndromen, een teveel van bepaalde (soms dezelfde) componenten kan anderzijds zelfs leiden tot giftigheid.

Bepaalde nutriënten kunnen dan weer een bijdrage leveren tot detoxificatie. Zo kan eiwitkwaliteit en methionine-inhoud leiden tot ontgifting van sommige pesticidenresten.

 

Slechte voedingsgewoonten kunnen zoals bekend bijdragen tot het ontstaan van ziekten als kanker, hart- en vaataandoeningen, galstenen, appendicitis, obesitas, spataders, hiatus hernia, .. Dit bleek afdoende bij overschakeling door veel mensen van een doorgaans niet-westers naar een westers dieet of vv. Epidemiologische studies toonden verbanden aan, zoals bv. tussen cholesterol en hart- en vaataandoeningen. Ook in dierexperimenten werden telkens weer verbanden gelegd tussen voeding en chronische ziekten.

Gezien de lange voorgeschiedenis van dergelijke studies, is het verbazend dat men nog weinig inzicht heeft in de mechanismen waardoor voeding chronische ziekten en veroudering beďnvloedt. Dit heeft alles te maken met de complexiteit van het menselijk voedingspatroon.

Ook de rol van macronutriënten (bv. eiwitten, vetten)  of micronutriënten (mineralen – vitamines) bij het ontstaan van kanker, is nog geenszins uitgeklaard. Vast staat wel dat een algehele vermindering van de inname van teveel calorieën steeds een gunstig effect heeft.

 

Toch kan men inmiddels wel de positieve of negatieve invloeden van nutriënten, additieven en contaminanten beschrijven op bepaalde ouderdomsziekten of verouderingsverschijnselen. Dieet-aanbevelingen zouden veel meer doelgroep-gericht moeten zijn : in plaats van te mikken op het grote publiek, zou men aangepaste aanbevelingen kunnen verstrekken i.v.m. voeding en aangepaste diëten aan de groep van gezonde ouderen, maar rekening houdend met de risico’s die zij lopen.  Een goed voorbeeld is de nood aan calcium-inname (drinken van meer melk) met het oog op het tegengaan van osteoporose.

 

Ten slotte is het ook nodig ouderen voldoende in te lichten over de waarde of onwaarde van de vele wonder-diëten of voedingssupplementen die gepromoot worden om veroudering tegen te gaan. Een minimum aan objectiviteit dient verzekerd te worden. In elk geval moeten ouderen beschermd worden tegen het (commercieel of zelfs met goede bedoelingen)opdringen van éénzijdige diëten die hun gezondheid meer kwaad dan goed doen.

Anderzijds moet de overheid ook met open geest de discussie aangaan met vertegenwoordigers van ‘alternatieve geneeswijzen’, zelfs als deze uitgaan van (nog) niet bewezen premissen.  In de mate dat deze de nadruk leggen op een gezonde levensstijl en evenwichtige voeding, kunnen ze alleen maar bijdragen aan een betere gezondheid van de senioren.

 

Ouderen vatbaarder voor ‘biologische vervuiling’

 

In het Amrikaans programma rond ouderen, gezondheid en milieu heeft men bewust ook een hoofdstuk opgenomen i.v.m. de toenemende dreiging die uitgaat van bacteriën als Escherichia coli en cryptosporidium. Door het overmatig gebruik van antibiotica kunnen deze ziektekiemen zich nu snel ontwikkelen. Ouderen hebben veel minder weerstand tegen deze bacteriën. Bij de slachtoffers van ziekenhuisinfecties door antibiotica-rersistentie worden ook vooral ouderen geteld.  

 

Vooral inzake salmonella-besmettingen heeft België een trieste reputatie. In 1998 ging het om 13.853 besmettingen (tegenover 2.266 in Nederland) of maar liefst 135,7 besmettingen per 100.000 inwoners (het hoogste aantal van alle 15 oude EU-lidstaten). 

Ook voor salmonella zijn ouderen de belangrijkste risico-groep.

 

 

  1. HET RECHT OP EEN EVENWICHTIGE MEDICATIE

 

Parallel met de incidentie van chronische ziekten bij ouderen verloopt ook het gebruik van medicamenten door oudere mensen. In de VS neemt 70% van de ouderen één of andere vorm van medicatie en wordt 25% van alle medicamenten ingenomen door 65-plussers (die slechts 12% van de bevolking vertegenwoordigen). Ouderen lopen bovendien meer het risico om een averechtse reactie te ontwikkelen op geneesmiddelen, door het veelvoud aan ouderdomskwalen die ze vertonen of door de aanwezigheid van geaccumuleerde polluenten in hun lichaam.  Er is nood aan meer leeftijdsgebonden onderzoek naar pharmacodynamische effecten  (de biochemische en fysiologische effecten van geneesmiddelen) en pharmakinetische effecten (effecten in het lichaam m.b.t. absorptie, distributie, vertering en verwijdering) van geneesmiddelen.  Ouderen zijn bv. meer gevoelig voor de deprimerende effecten van neuroactieve medicatie als diazepam. Maar de gevoeligheid van het hart voor stoffen als isoproterenol of propranolol neemt af met de leeftijd.

Zeker de interactie tussen de ‘body burden’ aan chemische stoffen (geaccumuleerde polluenten e.a.) en quasi permanente medicatie dient in rekening gebracht te worden.

Een probleem dat bijzondere aandacht vergt is dat van het overmatig of verkeerd gebruik van medicatie, zeker door alleenstaande ouderen. Meer voorlichting en begeleiding zijn nodig. Ook dit heeft veel te maken met het onderliggend probleem van het te groot sociaal isolement van veel ouderen.

 

 

7. RECHT OP LEEF-RUIMTE EN HET RECHT OM ZICH VRIJELIJK TE VERPLAATSEN

 

Op grote delen van het openbaar domein is in onze moderne samenleving beslag gelegd voor verkeer en economische activiteiten. Terwijl de groep van “niet-(economisch)-actieven” (naast kinderen, ook veel ouderen) juist nood heeft aan meer open ruimte om zich te ontspannen, om tot rust te komen, om te zitten, te wandelen, te sporten.  In studies is ook al de band gelegd tussen goede gezondheid en voldoende groene/natuur in de onmiddellijke leefomgeving.

 

Om fit te blijven hebben ouderen ook nood aan voldoende ruimte om te bewegen. Het zich regelmatig verplaatsten te voet of met de fiets is een belangrijke factor voor ouderen om in conditie te blijven en ouderdomskwalen tegen te gaan. Maar dan moet het openbaar domein daartoe ook uitnodigen (cf. ‘A Physically active life through everyday transport – with a special focus on children and older people’, WHO, 2002).

 

Spijtig genoeg lopen ouderen een bijzonder hoog risico op verwondingen of zelfs voortijdig overlijden in het steeds drukker wordende verkeer. Het aantal oudere verkeersslachtoffers blijft in Vlaanderen veel te hoog. Ook hier is er een parallel met de andere kwetsbare groep, die van de jongeren. En net als voor kinderen, dreigen ook ouderen een zware tol te betalen door het inboeten van bewegingsvrijheid en door toenemend isolement. Een nog veel groter probleem dat cynischerwijze kan schuilgaan achter soms iets gunstiger ongevallencijfers. Veel ouderen komen dan maar niet meer buiten, omwille van de sociale en verkeersonveiligheid die ze op straat ervaren. Bij de subjectieve onveiligheidsgevoelens komen de verkeersstress en de on-leefbaarheid van de buurt op de eerste plaats.

 

Enkele cijfers : gepensioneerden maken gemiddeld 1,78 verplaatsingen per dag met een afgelegde afstand van 20 km (tegenover het globaal gemiddelde : 2,7 verplaatsingen per dag en 34,5 km afstand). Eén derde van de ouderen maken echter (bijna) geen verplaatsingen meer. Bij de 65-plussers beschikt meer dan de helft van de vrouwen niet over een rijbewijs.

Ouderen zijn dus duidelijk minder mobiel.

Ouderen maken verhoudingsgewijs minder gebruik van de wagen, gaan het meest te voet en nemen het meest het openbaar vervoer. Toch is de trend dat senioren langer met de wagen blijven rijden (cf. Vlaamse Stichting Verkeerskunde/VAB, Senioren in het Verkeer, 1998). Door de invoering van het gratis rijden, wordt er de laatste jaren duidelijk meer gekozen voor tram, bus of trein.

 

Om het recht op mobiliteit voor alle groepen van ouderen te verzekeren, zijn bv. volgende aandachtspunten van belang :

 

* inrichting van de weg waarbij max. rekening gehouden wordt met o.m. de beweeglijkheid en de reactiesnelheid van oudere weggebruikers. Zo bv. voor de verkeersleefbaarheid (bv. oversteekbaarheid van straten, op kruispunten) of de  verkeersveiligheid (bv. toegelaten snelheden).

* maximale begeleiding van ouder wordende chauffeurs opdat ze lang maar ook veilig op de weg kunnen blijven (aanbod van vrijwillige testen van rij- en verkeersvaardigheden)

* veilig en comfortabel bereikbare voorzieningen : basisvoorzieningen mogen niet enkel met de wagen bereikbaar zijn

* “basismobiliteit” : vlot toegankelijk openbaar vervoer op loopafstand

* begaanbare trottoirs – fietspaden die rekening houden met oudere fietsers (cf. het resp. Vademecum voor voetgangers en fietsers)

* voldoende rustplaatsen in het openbaar domein en zeker in het verkeer (banken – vluchtheuvels – herkenningspunten)

 

Belangrijk is dat verkeersspecialisten en wegbeheerders de inrichting van de weg mee vanuit het standpunt van ouderen bekijken of beter nog met ouderen actief overleg plegen.

 

  1. HET RECHT OP EEN VERKWIKKENDE SLAAP

 

Lawaai is een vorm van milieuvervuiling die bijzonder schadelijk kan zijn voor de gezondheid. En dan denken we niet alleen aan vliegtuiglawaai, maar aan alle vormen van geluidsoverlast en stress door verkeer, werken  en andere lawaaierige activiteiten.

Vooral geluidshinder tijdens de nachturen is niet enkel bijzonder hinderlijk, maar ronduit schadelijk voor de gezondheid.

Vooral omdat ouderen sowieso al meer last hebben van chronische slapeloosheid dan jongere volwassenen. 32,2% van de leeftijdsgroep tussen 65 en 74 jaar zegt last te hebben van slaapproblemen, 34,4% van de leeftijdsgroep vanaf 75 jaar (VRIND, 2002).

 

  1. HET RECHT OP INSPRAAK EN PARTICIPATIE

 

Een volwaardig beleid inzake milieu en gezondheid voor ouderen kan niet tot stand komen zonder de actieve betrokkenheid van de ouderen zelf. Beleidsvoorstellen moeten de ouderen echt ten goede komen en mogen geen keurslijf opleggen aan ouderen of organisaties die met ouderenzorg doende zijn. In het ontwerp van decreet geďntegreerd ouderenbeleid  kan de inbreng van ouderen in het beleid inzake hun milieu en gun gezondheid, geďntegreerd worden. Veel initiatieven kunnen genomen worden op het locale vlak. De zorg voor ouderen, gezondheid en milieu kan ook opgenomen worden in locale samenwerkingsovereenkomsten milieu of in een module bij de gemeentelijke mobiliteitsconvenants. Voor de wijze waarop ouderen inspraak krijgen niet alleen in het typische welzijnsbeleid maar ook in deze ruimere beleidsterreinen die van groot belang zijn voor hun leefomgeving, kan verwezen worden naar het voorstel van decreet tot stimulering van een planmatig locaal ouderenbeleid en de beleidsparticiaptie van ouderen (stuk nr. 1147).

 

Milieuwetenschap en –beleid zijn relatief jonge disciplines. Jongeren zetten het milieubeleid uit van de toekomst. Wat uiteraard een goede zaak is. Toch ziet het ernaar uit dat vooral ouderen de eerste belanghebbenden zijn van een volwaardig beleid ten gunste van een beter leefmilieu. Het is dan ook van groot belang de inzet en expertise van ouderen te mobiliseren ten voordele van het nog prille duurzaamheidsproject van de samenleving. In de VS tracht men seniorencorpsen in te zetten voor de zaak van de solidariteit tussen de generaties en de kwaliteit van leven en leefomgeving. Ouderen kunnen aangesproken worden op hun directe eigen belang (leefbaarheid van hun publiek domein), maar zijn bovendien wellicht ook meer vatbaar voor argumenten voor de middellange en lange termijn (rechten van toekomstige generaties, welzijn van hun kleinkinderen). Temeer daar de noden van de jongste en de oudste generatie - zoals gebleken is – dikwijls wonderwel samenvallen.

Ook in Duitsland zagen soortgelijke initiatieven het licht : het ‘Generationen Netzwerk Umwelt’ en het project ‘Alter für die Umwelt’.

 

Een actieve betrokkenheid van ouderen bij het plannen maken van de overheid (verkeersplannen, milieuplannen, structuurplannen,..), bij besluitvoering maar ook bij de uitvoering (vrijwilligerstaken inzake verkeersveiligheid, toezicht, natuurbeheer, milieu-educatie,..) behoren tot de mogelijkheden.

 

 

Intergenerationele Solidariteit :

 

Zie : http://www.gu.org/about.asp

 

 

  1. DE RECHTEN EN PLICHTEN VAN DE NIEUWE ACTIEVE SENIOREN

 

22,3 % van de bevolking in het Vlaams gewest in 2002 is ouder dan 60, tegen 2010 zal dat reeds 24,8% zijn.

16,8 % van de 60-plussers is ouder dan 80, in 2010 zal dat 20,6% zijn.

(VRIND, 2002).

 

De vergrijzing van de samenleving stelt niet enkel problemen inzake betaalbaarheid van pensioenen. Het goede nieuws is dat veel meer senioren actief blijven,  soms binnen, meestal buiten de werksfeer en een eigen leefstijl ontwikkelen. Maar daarmee ook - als meer betaalkrachtige groep - in toenemende mate beslag leggen op (schaarse) milieugoederen. Dit zal de komende decennia alleen maar toenemen en de maatschappij grondig van aanzien doen veranderen.

Daarnaast is er de groep van hoogbejaarden die extra zorgen behoeft. Ook hier zal een zorgverzekering alleen niet volstaan : ook andere voorzieningen zullen nodig zijn binnen en buiten instellingen, om ook voor deze groep van oudere ouderen alle basisrechten uit het Handvest te blijven verzekeren.

 

Het Amerikaans Milieubureau heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om de (ecologische) kost van een nieuwe vergrijsde maatschappij op voorhand te berekenen. Want als alle groepen van ouderen volwaardig op hun rechten staan – wat uiteraard de bedoeling is – zal dit moeten leiden tot een herverdeling van middelen. Enkele voorbeelden :

 

  • het aandeel van het vrijetijdsverkeer in het totale verkeer zal hand-over-hand toenemen
  • het aantal vliegvakanties in het buitenland zal allicht blijven stijgen
  • door de stijgende vraag naar toeristische, vrijetijds- en horeca-voorzieningen zal de druk op de (schaarse) open ruimte blijven toenemen
  • de ontwikkeling van media, cultuur, verbruiksproducten, voedingswaren, fitness- en hygiëneproducten gericht op de ouderenmarkt staat allicht nog maar ‘in de kinderschoenen’
  • de vraag naar serviceflats loopt verder op
  • de vraag naar opvangplaatsen voor kinderen loopt verder op
  • enz.

 

In het deel ‘Bevolking’ van MIRA-T 2001 wordt al op summiere wijze rekening gehouden met demografische evoluties, zoals de vergrijzing. Het is duidelijk dat dit veel meer in detail zal moeten bekeken worden de komende jaren.

 

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Aging Research: The Future Face of Environmental Health

Tina Adler

EHP, volume 111, nr 14, November 2003 :

 

With the baby boom generation quickly becoming the geriatric generation, getting old is practically trendy these days. In 1900, the over-65 age bracket accounted for only 4.1% of the population, according to the nonprofit Population Research Center. That figure doubled by 1950, hit 13% in 1997, and is expected to reach 20% by 2030. Despite their expanding numbers, older persons have failed to catch the attention of many environmental health scientists, who often tuck seniors under the broad category of "susceptible populations." Meanwhile, the environmental health of children has taken center stage.

But that's changing. The focus on children has, in some cases, spurred an interest in their grandparents. It was after being briefed on children's health projects that former U.S. Environmental Protection Agency (EPA) administrator Christie Whitman asked her staff what the agency was doing for seniors. The response was a number of unconnected studies that only indirectly related to seniors. It led to the launching in October 2002 of the EPA Aging Initiative, an effort to examine, among other topics, the environmental health hazards facing older persons. Researchers at universities and other federal agencies across the country also are exploring the topic, including the effects of agents such as air and water pollutants, sun exposure, and industrial chemicals on the aging process.

As part of the Aging Initiative, the EPA held six public forums across the country in April and May 2003, where participants discussed environmental issues of importance to elders. Speakers represented local and state governments, federal agencies, universities, and nongovernmental organizations. Among their many suggestions, speakers noted that scientists and regulators must avoid lumping everyone over age 65 into one category. Ninety-year-olds generally differ from 70-years-olds in their fortitude, and healthy 70-year-olds differ from their peers who suffer, for example, from diabetes or heart disease. Another challenge speakers put forth is to separate the contribution that environmental exposures make to aging from the many other factors that influence our health as we age.

At another EPA-sponsored forum, a December 2002 workshop titled Differential Susceptibility of Older Persons to Environmental Hazards, held at the National Academy of Sciences (NAS), Philip Landrigan, director of the Mount Sinai School of Medicine Center for Children's Health and the Environment, said the time is right for spotlighting elders. Scientists once restricted environmental assessments to young people, who generally have fewer illnesses than their elders and are easier to study, he said. Now, with our expanding computing power and knowledge of physiology and environmental exposures, studying different age groups is both possible and imperative.

The environment plays a complicated role in the lives and health of older persons. First, studies show that their leading causes of death--heart ailments, pulmonary diseases, and cancer--can all be exacerbated by environmental contaminants. Second, older bodies may not have the energy reserves to handle many assaults from their environment. Third, some scientists now suspect that certain pollutants could potentially accelerate aging, for example through the damaging effects of free radicals. Fourth, bodies can retain certain toxic compounds for years, so elders may be storing a high concentration of chemicals simply by having lived a long time. Finally, seniors also are likely to have been exposed to toxic chemicals that formerly were not regulated under federal environmental legislation.

According to Andrew Geller, an EPA senior staff leader for the Aging Initiative, one aspect essential to understanding the interaction of aging and the environment is that of exposure. He says it is largely unknown whether older adults receive different levels and types of exposure compared to younger adults, due for example to the unique behavior and activity patterns of older adults and the living environments in which older adults live. It is known, however, that the body's ability to absorb, distribute, metabolize, and excrete compounds changes over time. As a result, the same level of exposure may affect older and younger people very differently.

Scientists have tried in the past to call attention to the effects of the environment on elders. In 1985 the EPA and the NIEHS asked the NAS to investigate the topic and to recommend research strategies. The NAS did just that, publishing a report called Aging in Today's Environment in 1987. But its recommendations received little attention. Nevertheless, "the questions raised in the report were important questions then and still are," said Robert Wallace, a professor of epidemiology at the University of Iowa College of Public Health and cochair of the 2002 NAS conference. Wallace helped write a National Research Council report on the health and safety needs of older workers, which addresses environmental exposures. The report is due out at the end of the year.

Air Exposures

Air pollution is a health hazard for the elderly due to of its impact on lung function. But air pollution also has a heavy impact on the heart. "There are studies in literally hundreds of cities showing that day-to-day changes in [airborne particulate matter] are associated with day-to-day changes in mortality, and most of those excess deaths are in fact cardiovascular deaths, not respiratory deaths," said Joel Schwartz, an associate professor of environmental epidemiology at the Harvard School of Public Health. Because elders are more likely to have heart disease, they are particularly sensitive to these pollutants.

Labored breathing. Seniors are particularly susceptible to adverse respiratory and cardiovascular effects from toxic air pollution.
image credit: Photodisc

A study of Denver's seniors revealed that hospitalizations for heart attacks, atherosclerosis, and pulmonary heart disease all increased during bad air days, wrote Petra J.M. Koken, a visiting fellow at the NIEHS Environmental Toxicology Program, and colleagues in the August 2003 EHP. "[Sulfur dioxide] appears to be related to increased hospital stays for cardiac dysrhythmias, and [carbon monoxide] is significantly associated with congestive heart failure hospitalization," they reported.

Particulate matter decreases heart rate, heart rate variability, oxygen saturation, and other key indicators of cardiac function, said Diane Gold, an assistant professor of environmental health at the Harvard School of Public Health, speaking at the 2002 NAS workshop. Older persons are more susceptible to the cardiovascular effects of particulate matter, largely because they are more likely to have heart disease, she said.

It's not just the sick who suffer, however. In one EPA study published in the May 2003 supplement to the European Respiratory Journal, healthy seniors who agreed to stay for two hours in a room containing a high, environmentally relevant concentration of particulates had adverse changes in their electrocardiograms.

Air pollution also increases the risk of stroke, particularly in people over 65, states a report published in the February 2002 EHP by Yun-Chul Hong of Korea's Inha University College of Medicine. Hong further found that stroke deaths increased in step with rising concentrations of particulates, carbon monoxide, sulfur dioxide, nitrogen dioxide, and ozone.

When air pollution skyrockets, local governments recommend that seniors, children, and other susceptible groups stay indoors. Even on normal days, older adults spend only about an hour outdoors, Geller says. Inside they may be bombarded by indoor air pollutants: radon, secondhand tobacco smoke, carbon monoxide, lead-laden dust, cockroach and dust mite allergens, pesticides, asbestos, toxicants brought home from work on the clothes of other family members, and chemicals from sprays, disinfectants, and building materials. These pollutants worsen the severity and frequency of asthma and chronic obstructive pulmonary disease among older persons, said Meryl H. Karol, a professor of environmental and occupational health at the University of Pittsburgh.

Although pulmonary conditions in older persons resulting from air pollution are fairly well known, the frequency of asthma in this population is just now coming to light. Asthma is more common among children but more severe in elders, said Steven P. Wallace, a professor at the University of California, Los Angeles, School of Public Health, speaking at the EPA-sponsored public forum in Los Angeles. Almost 14% of children under 18 have asthma, compared with 10% of people over 65. But seniors are much more likely to have daily or weekly symptoms and to end up in the hospital as a result of their asthma. According to the American Lung Association, the majority of the approximately 5,000 deaths per year resulting from asthma are among those aged 65 and older. And according to the American Academy of Allergy, Asthma, & Immunology, elderly asthmatics are usually former smokers or have a history of allergic disease.

Smoking and exposure to secondhand smoke present a host of health risks for all age groups, particularly seniors, and are the primary cause of emphysema and chronic bronchitis, states a June 2002 American Lung Association fact sheet. Indeed, all the major causes of death among the elderly are associated with smoking and secondhand smoke. The fact sheet further states that older smokers are 60% more likely to die from heart disease than their nonsmoking peers, for example.

Water Exposures

When water treatment systems fail or function poorly, gastrointestinal tracts suffer, particularly those of elders. Decline in immune function makes seniors more susceptible to most infections. "However, the degree of this increased sensitivity . . . is not well characterized," reported Elena N. Naumova and colleagues from the Tufts University School of Medicine in Boston in the April 2003 Emerging Infectious Diseases. Most prospective studies on enteric disease in older persons in the United States were carried out more than two decades ago, when few of today's pathogens were recognized, they wrote.

Water worries. Elders account for a large percentage of hospitalizations for intestinal illnesses from contaminated drinking water.
image credit: Photodisc

Naumova's team analyzed the impact on people over age 65 of a record-breaking 1993 outbreak of the bacterium Cryptosporidium parvum in Milwaukee, which resulted from a failure in the city's water filtration system. The daily rates of gastrointestinal illness increased by 0.44 events per 100,000 persons for every additional 10 years of age, the team reported. Compared with younger adults, older persons were at greater risk of becoming quite ill from the bacterium, of picking it up from other people instead of just from drinking the water, and developing symptoms more quickly, the team reported. Nationwide, 9% of gastrointestinal-related hospital admissions for people over age 65 are due to contaminated drinking water, Schwartz and colleagues reported in the January 2000 Journal of Epidemiology and Community Health.

One water pollutant that hits elders where they are particularly vulnerable--their arteries--is, surprisingly, arsenic. The chemical is best known for its role in tumor formation. But studies have also demonstrated a link between elevated water arsenic concentrations and atherosclerosis and vascular diseases. The link was first reported in a 1969 article on copper smelter workers exposed to arsenic, reported Petia P. Simeonova of the National Institute for Occupational Safety and Health and colleagues in an EHP-in-Press article (doi:10.1289/ehp.6332) posted 19 August 2003. Well water contaminated with arsenic is believed to contribute to atherosclerosis and the similar black-foot disease. New rodent studies have revealed the possible mechanism involved: arsenic accumulates in the cardiovascular tissue and triggers inflammation in the endothelium, the team reported.

Sun Exposures

Even without help from major diseases or environmental exposures, living creatures would age thanks to the progressive shortening during cell division of telomeres, the ends of chromosomes. However, telomere shortening can be accelerated by chemical reactions that occur in the body, such as when free radicals attack cells or glucose molecules interfere with proteins. Sunlight contributes to the natural aging process as well, by damaging DNA directly and by generating free radicals.

Chronic sun exposure aggravates aging-associated functional declines in the skin, said Barbara Gilchrest, chair of the Department of Dermatology at Boston University School of Medicine, at the 2002 NAS workshop. In particular, sunlight reduces the body's Langerhans cells, immune cells located in the epidermis. "The skin is a particularly instructive organ in which to examine effects of the environment, because there are sun-protected areas throughout life which serve as a control," she said. "It is very apparent in examining the skin of an older individual what that environmental impact has been."

To compound the problem, aging skin isn't very good at repairing the sun's damaging effects on DNA, Gilchrest said. She and her colleagues irradiated dermal fibroblasts, which are cells that form connective tissue, taken from sun-protected areas of newborns and adults. The newborns' cells were much faster than older cells at mending damaged DNA, due to the older cells' decreased levels of repair enzymes, they reported. The study appeared in May 2002 in The FASEB Journal.

Years in the sun. Decades of exposure to UV radiation in sunlight can add up to melanoma and aggravation of existing problems for aging skin.
image credit: Photodisc

Skin cancer, the well-known side effect of sun exposure and a widespread problem among elders, is "overwhelmingly attributable" to exposure to sunlight, Gilchrest said. More than 1 million new cases of skin cancer will be diagnosed in the United States this year, according to the American Academy of Dermatology, and more than 77% of skin cancer deaths are from melanoma. Because skin cancer can take decades to develop, the risk increases with age. "Men over the age of fifty account for more than half of all melanoma deaths in the United States," Gilchrest said.

Older Bodies' Burdens

Elders are often the keepers of family heirlooms, old memories, and cultural traditions. But insidious bits of history that they may retain quite unintentionally are toxic environmental chemicals. Once absorbed by the body, certain compounds stick around for the long haul. Lead, for example, stays in bones for decades--or in the case of women, at least until menopause. After menopause, bones begin to demineralize, which lets lead seep out and blood levels of the compound increase. In a recent investigation of women in Mexico City, the mean blood lead level was 1.98 micrograms per deciliter higher in postmenopausal than premenopausal women, reported Howard Hu, a professor of occupational and environmental medicine at the Harvard School of Public Health, and colleagues in the April 2003 EHP. This puts women at risk for many lead-related ills.

Studies have also shown that lead exposure may increase the risk of developing osteoporosis by "inhibiting activation of vitamin D, the uptake of dietary calcium [to the bones], and aspects of bone cell function," states an EPA-sponsored report, Exploration of Aging & Toxic Response Issues, released in February 2001. According to the National Osteoporosis Foundation, a nonprofit group that promotes public awareness of this disease, 55% of Americans over age 50 have low bone mass, putting them at greater risk for developing osteoporosis. The foundation also states the estimated national direct expenditure for osteoporotic and associated fractures was $17 billion in 2001.

Diagnosing lead poisoning in elders can prove difficult, because the symptoms resemble what we think of as the inevitable curses of old age: poor sleep patterns, slowed reaction times, irritability, and impaired visual-motor coordination, according to the 2001 EPA report. Another hazard of lead is that it can impair kidney function, causing, among other problems, some medications to clear more slowly than normal from the body. The result is a higher concentration of drug than expected and an increased risk of side effects from the medication--a concern for elders who generally consume many more prescription drugs than younger people.

Lead, aluminum, iron, copper, organochlorine compounds, and hydrocarbons have all been implicated in the common neurodegenerative diseases seen in old age: Alzheimer disease (AD), Parkinson disease (PD), and amyotrophic lateral sclerosis. Each of these diseases features neuronal death in different parts of the brain. The losses go beyond the changes in cerebral blood flow, loss of neuronal cells, and reduced neurotransmitter function seen in normal aging, which result simply in slower learning speeds, recall, and reaction times, noted Peter Spencer, a professor of neurology at Oregon Health & Science University, at the NAS meeting.

Most cases of neurodegenerative diseases do not appear to have genetic causes, wrote David O. Carpenter and colleagues from the University at Albany, State University of New York, in a review article published in the February 2002 issue of EHP Supplements. But several different environmental agents may contribute to each disease.

Occupational exposure to lead, such as when welding, soldering, and electric-plating, increases the risk of developing amyotrophic lateral sclerosis by 5- to 8-fold, wrote Carpenter and colleagues. Another study, presented by Case Western Reserve University researchers at the 2000 annual meeting of the American Academy of Neurology, found that workers exposed to high levels of lead were more than three times as likely as other workers to develop AD. Epidemiological studies linking lead and neurodegenerative diseases are supported by cellular studies, which show that lead causes neuronal damage, wrote Carpenter and his colleagues.

AD, the bane of the very old, afflicts up to half of those in their mid-80s. The brains of AD patients have clumps of fibrous proteins called neurofibrillary tangles and amyloid plaques, which disrupt cell function. The plaques feature ß-amyloid, a small protein that produces reactive oxygen species and causes extensive oxidative damage to brain tissue. Metals may enable ß-amyloid, which starts out as a normal soluble protein, to become a fibrous mass, explained Teresa Kowalik-Jankowska, a chemistry professor at Poland's University of Wroclaw, and colleagues in the October 2002 EHP Supplements.

Although scientists generally view exposures to high concentrations of metals as the health risk, Ashley I. Bush, an associate professor of psychiatry at Massachusetts General Hospital and Harvard Medical School, is concerned about the normal levels of copper in the brain required for metabolism. As we age, the brain's capacity for regulating even that normal concentration of copper weakens, and the amount of copper in the brain increases, he says. Copper in food probably doesn't enter brain tissue, because proteins and other molecules in food prevent excessive amounts of copper from passing from the gut to the blood, he says.

But copper in solution, such as in the water, may pose a risk, Bush notes. A copper solution mixed with cholesterol appears to be a particularly unhealthful combination, reported D. Larry Sparks, a senior scientist at the Sun Health Research Institute in Sun City, Arizona, and Bernard Schreurs, an associate professor at West Virginia University in Morgantown, in an article (doi: 10.1073/pnas.1832769100) posted 14 August 2003 at the Proceedings of the National Academy of Sciences.

A time of confusion. Environmental health studies are uncovering links between lifetime exposures to chemicals and other agents and development of neurodegenerative diseases late in life.
image credit: Photodisc

Earlier studies had shown that rabbits fed a cholesterol-rich diet developed plaques similar to those seen in humans with AD. Also, cholesterol-fed rabbits that drank distilled water developed fewer plaques than animals that drank tap water that was later found to contain a high concentration of copper. In Sparks and Schreurs's study, rabbits with high cholesterol drank either copper-enriched water or regular distilled water, and the latter developed fewer plaques and plaque precursors than the other rabbits did. The treated rabbits also performed poorly on a task rabbits normally do well on: learning to close their eyes at the sound of a noise that is always followed by a puff of air in their faces. Copper combined with cholesterol may prevent the brain from ridding itself of ß-amyloid, the authors wrote.

PD is the second most common neurodegenerative disease, following AD. According to the American Parkinson Disease Association, a research and patient education group, PD affects more than 1.5 million people in the United States, most of whom are over 60, although the disease is appearing more frequently in younger adults. People with PD lose dopamine-producing brain cells, which are critical to normal motor function and, to a lesser extent, cognition. Despite the frequency of the disease and decades of intense research, the etiology of PD and the mechanism underlying the selective neuronal loss remain unknown, wrote Bin Liu, then a neuropharmacologist at the NIEHS, and colleagues in the June 2003 issue of EHP.

Polychlorinated biphenyls and pesticides including dieldrin and lindane are suspected of contributing to PD. Both are elevated in the brains of some PD sufferers. Exposure to the pesticide paraquat increases the risk of PD more than threefold, Carpenter's group wrote. In animal studies, exposure to pesticides caused dopamine depletion and parkinsonian behavioral changes. PD may represent the final outcome of an interaction among a vulnerable dopaminergic system, a genetic predisposition, and an exposure to environmental toxicants that cause inflammation in the brain, Liu and colleagues wrote.

Like lead, methylmercury is perhaps more commonly known as a threat to children's health, but can come back to haunt people in their golden years. It appears to impair blood pressure regulation and heart rate variability and to increase the risk of developing heart disease, according to Toxicological Effects of Methylmercury, a 2000 report by the National Research Council. "Some research demonstrated adverse cardiovascular effects at or below [methylmercury] exposure levels associated with neurodevelopmental effects," the report stated.

Minding Our Elders

As part of its mission to understand the role of environmental factors in human health and disease, the NIEHS supports research on how a variety of environmental agents impact elders. "This is an area that we have been interested in for some time," said NIEHS deputy director Samuel Wilson at the 2002 NAS meeting. The institute has invested approximately $10 million in projects that examine the relationship between age and environmental exposures, he said. The projects have focused on neurotoxicology, neurodevelopment, respiratory disease, cancer, and other chronic diseases.

The NIEHS has made a similar investment in projects investigating diseases that cause premature aging, such as Werner syndrome. "All of these inherited diseases have allowed us to understand pathways . . . that must function properly in order to prevent premature aging," Wilson said. In addition, in 2002, the NIEHS began a five-year, $20 million initiative to identify environmental exposures that may increase the risk of developing PD. The initiative will also support research on preventing and treating the disease.

The National Institute on Aging runs the Baltimore Longitudinal Study of Aging. Begun in 1958, this study is the longest-running scientific study of human aging in the United States. However, it is just now planning its first in-depth study of the effects of environmental health hazards on elders and aging, said study director Luigi Ferrucci.

Ferrucci described environmental health science as "very important--it's the future of research in human health." The work involved, however, "is very sophisticated and expensive." His team will measure trace elements of lead, aluminum, and polychlorinated aromatic hydrocarbons in the urine and blood of 1,200 adult participants, and will monitor how the levels change over time.

As part of its Aging Initiative, the EPA, with help from the NIEHS and the National Institute on Aging, is preparing the National Agenda for the Environment and Aging, due out next year. The agenda is expected to call for research and education on elders' increased susceptibility and vulnerability to pollution. "We need a better idea about how the body changes, how its capacity changes, and what the elderly are exposed to," said Harold Zenick, associate director for health at the EPA National Health and Environmental Effects Research Laboratory in Research Triangle Park, North Carolina. Because older adults spend so much time indoors, said Geller, one path for reducing potential risk to the older population is to disseminate information on how to avoid known hazards in the indoor environment through health providers, peer volunteers, and other stakeholders in the aging community.

In addition to research and educational outreach efforts in public health, the EPA will, through its initiative, investigate unique ways in which elders impact the environment. One example is the effect of large amounts of medications entering the waste stream resulting from the high degree of multiple pharmaceutical use in the aging adult population. The agency will also encourage older Americans to volunteer on environmental projects in their communities. The administration is requesting $1 million for its Aging Initiative in fiscal year 2004, which would support intramural research and public education programs.

Many speakers at the EPA's public forums took the opportunity to criticize the agency for weakening air pollution regulations that are so critical to protecting the health of seniors. "Not only is the American Lung Association deeply concerned about the ravaging effects on health from air pollution, we are also dismayed by the inadequate . . . response from EPA to combat these pollutants," said Anthony DeLucia, chair of the association's national board of directors. "Instead of recognizing the requirement for dirty power plants and industrial facilities to clean up when they increase pollution, EPA is granting them a free ride on the lungs of our seniors by rolling back new source review protections in the Clean Air Act."

Darrell Smith, director of the public health team for the American Chemistry Council in Arlington, Virginia, argued that existing government regulations and risk assessments are adequate to protect older persons from environmental pollutants. "Long-standing risk assessment and standard testing approaches are designed to provide information that can conservatively protect aging individuals," said Smith. "Commonly used animal tests such as chronic toxicity and carcinogenicity studies entail exposures throughout the lifetime." The EPA should focus on education and outreach efforts, such as educating elders on safe chemical and pharmaceutical use, he said.

A search of scientific journals, historical texts, and websites on aging reveals that one aging-related topic--how to slow down the aging process--continues to receive a wealth of attention, from serious scientists to serious hucksters. While no one in the environmental health arena is promising that their research will lead to the fountain of youth, protecting people at all stages of life from environmental toxicants may at least forestall or decrease some of the diseases facing elders, thereby enabling them to make the most of their advancing years. And in turn, this research may enlighten society as to the long-term effects on the environment of human actions, possibly leading to a healthier environment for young and old alike.


Tina Adler

 

 



Toward a New Understanding of Aging

By the year 2050, 21% of the U.S. population will be age 65 or older, according to the Population Reference Bureau. As our bodies age, our ability to defend against environmental insults diminishes, and exposures can accelerate the aging process and trigger or exacerbate disease. Decreased efficiency in the blood-brain barrier and the cardiovascular, pulmonary, immune, musculoskeletal, hepatic, renal, and gastrointestinal systems can alter response to environmental agents, leading to heightened susceptibility to the toxic effects of air pollution, pesticides, and other exogenous threats to health. Age-related physiologic changes may also contribute to the release of stored toxicants in the body such as lead or organochlorines. Further, lifelong exposure to low-level toxicants can increase the risk of diseases common in the elderly, such as osteoporosis, hypertension, renal impairment, Parkinson disease (PD), and Alzheimer disease (AD).

image credit: Chris Reuther/EHP, Photodisc

Recognizing the urgency of protecting the health of older Americans, in 2002 the U.S. Environmental Protection Agency (EPA) launched the Aging Initiative, an information- and recommendation-gathering effort designed to shape a planned National Agenda for the Environment and the Aging (for more information on this initiative, see "Aging Research: The Future Face of Environmental Health," p. A760 this issue). The NIEHS is one of several organizations actively participating in and contributing to this initiative. At a National Academy of Sciences workshop titled Differential Susceptibility of Older Persons to Environmental Hazards, held 5-6 December 2002 to help shape the agenda, deputy director Samuel Wilson was enthusiastic in his support for the effort. "Our institute is very excited that the U.S. EPA has taken on this topic as an initiative," he said. "[The NIEHS has] a substantial interest in aging-related research."

Substantial interest generates substantial investment. Wilson informed the workshop participants that in the areas of neurotoxicology, neurodevelopment, respiratory disease, cancer, and other chronic diseases involving a relationship between age and environmental exposure, the institute's aging-related research portfolio numbers approximately 50 projects with funding of nearly $10 million dollars. He added, "There is a substantial research effort in inherited diseases that are associated with advances in aging and with abnormalities in stress response." The research portfolio in that area consists of about 75 projects, with expenditures roughly the same as in the specific age-related portfolio. Together, these investments represent about 5% of the institute's overall research portfolio.

Although there is no NIEHS program specifically dedicated to addressing aging and the environment, the institute's commitment to investigation of the complex interplay between the two runs deeper than grant making--it is an integral element of the stated mission of the NIEHS.

"We really look at things across a life span," says Anne Sassaman, director of the NIEHS Division of Extramural Research and Training. "With some things, we put a lot of emphasis on the early stages of reproduction and development, but a lot of those conditions then continue and may be expressed at older ages as a result of . . . age and time," she says. "So aging is certainly one of the key components of how we look at our research programs."

Studying the Aging Process

In 1996, an NIEHS research group led by J. Carl Barrett (now director of the Center for Cancer Research at the National Cancer Institute) documented the first evidence that aging of cells in culture is an inherently genetically controlled process. Today, two groups within the NIEHS are exploring the so-called mitochondrial theory of aging--the idea that the aging process itself may be due to a lifetime of oxidative damage to proteins, DNA, and lipids in mitochondria, the cellular organelles where food is converted into energy. Senior staff fellow William Copeland and the Mitochondrial Replication Group are addressing the origin of spontaneous mutations in mitochondrial DNA by investigating the accuracy of replication machinery needed to copy the mitochondrial DNA, which consists of 16,569 base pairs that encode for 13 proteins required for the site's operation. Adjunct investigator Bennett Van Houten and the DNA Repair/Mitochondrial Damage Group are studying the consequences of damage to mitochondrial DNA, which aside from aging itself could include links to age-related degenerative diseases such as cancer, AD, PD, and heart disease.

Scientists believe that oxidative stress due to overproduction of free radicals and/or the diminution of protective mechanisms is involved in the pathophysiology of several diseases and aging. Environmental exposures have been shown to contribute to increased generation of such oxidants. Ronald Mason's Free Radical Metabolism Section pioneered a free radical detection and identification technique, electron spin resonance, to investigate the molecular mechanisms involved in oxidative stress. Mason's group is also exploring strategies for measurement of this potentially useful biomarker in humans for clinical diagnosis. NIEHS grantee Qin Chen, an assistant professor of pharmacology and toxicology at The University of Arizona, is also researching the role of oxidative stress in aging. His group has discovered several new molecular targets altered by oxidants, focusing currently on the p21WAF1/Cip1 gene. Gaining knowledge about these targets and how they are affected by oxidants may advance understanding of aging and its associated diseases.

Acquired genomic changes are believed to play a role in aging and diseases such as cancer. Colleen Jackson-Cook, an associate professor of genetics at Virginia Commonwealth University, is beginning to assess the extent to which individual differences between twins in acquired chromosomal abnormalities, as well as chromosome-specific telomere lengths, are determined by genetic predisposition or environmental factors. Jackson-Cook says a clearer delineation of the observed variation in those anomalies and the factors contributing to them "will be helpful for designing tests to screen for individual differences in susceptibility to change in the human genome" and possibly predisposition tests for age-related maladies such as cancer, ulcerative colitis, and AD.

NIEHS grantee Howard Hu, a professor of occupational and environmental medicine at the Harvard School of Public Health, has been working with samples and data from the Normative Aging Study, a cohort of adults who have been followed for 40 years. Hu reports that his group's most recent analyses have shown that subjects with an ALAD 2 genetic allele experience a greater toxic effect of lead on their kidneys, and that subjects with a higher body burden of lead have a greater risk of a host of disorders, including anxiety, depression, myocardial infarction, hearing loss, and cataracts. Most disturbingly, perhaps, the subjects with higher environmental lead burdens also manifested a steeper decline in cognitive function with aging.

The effects of fine particle exposure on cardiovascular function on susceptible adults are being explored by NIEHS grantees Diane Gold, an assistant professor of environmental health at the Harvard School of Public Health, along with co-principal investigators Doug Dockery and Frank Speizer. A 1999 time-series epidemiologic study involved repeated monitoring of 27 Boston adults aged 60-90 to evaluate whether measures of cardiovascular function varied as air pollution fluctuated. The researchers discovered a significant association between reduced heart rate variability, an important measure of cardiac function, and elevated ambient levels of fine particulate matter and ozone, implying that exposure to these pollutants may decrease vagal tone, resulting in reduced heart rate variability. A similar study conducted the following year by the same group included measures of indoor home exposure and personal exposure to particles. Those results are being prepared for publication.

Three ongoing grants seek explanations for disparities in health and functionality among seniors. Carlos Mendes de Leon, an associate professor at Rush-Presbyterian-St. Luke's Medical Center in Chicago, is examining the factors behind social and racial inequalities in health among older adults, focusing on disability and decline in physical function as markers of overall health status. Mendes de Leon and his group hypothesize that older persons of lower socioeconomic status and older blacks experience increased risk of disability due to greater exposure to biologic risk factors and to adverse social and environmental conditions. They are now in the third year of collecting data on disability status in a population of 6,000 subjects living in the Southside area of Chicago, along with detailed assessment of neighborhood conditions.

Brian Schwartz, director of the Division of Occupational and Environmental Health at The John Hopkins University, and colleagues are engaged in the Baltimore Memory Study, a multilevel cohort study of the determinants of cognitive decline in 50- to 70-year-old residents of specific neighborhoods in Baltimore, seeking to quantify and analyze disparities in cognitive functioning by race and ethnicity. Risk factors to be evaluated include environmental agents such as lead and mercury, genetic polymorphisms, health and cardiovascular factors, social and behavioral factors, and neighborhood contextual factors, which include measures such as community socioeconomic status, neighborhood services, physical condition of buildings, and social integration. According to Schwartz, the study "represents a case study in multilevel, multidisciplinary research aimed at integrating knowledge within and across biologic, environmental, social, behavioral, and mathematical sciences."

Neighborhood context is more of a primary focus in a study being conducted by José Szapocznik, a professor of psychiatry and behavioral sciences at the University of Miami, on the built environment and Hispanic elders' behavioral health as measured by cognitive functioning, emotional functioning, and individual and social activity. He and his group are investigating how and to what extent the architectural features of the built environment that support social connectedness, such as the presence of a front porch and sidewalks, impact elders' behavioral health. According to Szapocznik, it is "the first NIH study that has recognized the neighborhood built environment as a potential risk factor." Having assessed the baseline cognitive functioning of 260 Hispanic elders in Miami's East Little Havana community, the group will retest the subjects annually for three years. They will then perform longitudinal analysis to examine whether built environment variables influence social behaviors and, as a result, impact the future magnitude and direction of changes in elders' cognitive and affective functioning.

Neurodegenerative Diseases

The role of the environment in aging-related neurodegenerative diseases such as PD, AD, and amyotrophic lateral sclerosis (ALS) has long been an area of particular interest to the NIEHS. Recent initiatives have stimulated a great deal of recent research activity in the quest to delineate how genetic susceptibility, environmental exposures, and aging interact to trigger these often devastating disorders.

PD. To accelerate the rate of progress in PD research, in August 2002 the NIEHS awarded grants establishing the Collaborative Centers for Parkinson's Disease Environmental Research (CCPDER) program. CCPDER is a five-year, $20 million cooperative agreement in which three multidisciplinary centers, in partnership with the NIEHS, share data, ideas, and resources. The centers are located at Emory University, the University of California, Los Angeles, and The Parkinson's Institute in Sunnyvale, California. Each program is designed to be multidisciplinary, integrating clinical, epidemiologic, and basic science, while actively coordinating efforts and collaborating with colleagues at the other centers and the institute. A steering committee oversees the collaborative activities among the three centers.

The first year of the program has been a building process, strengthening the collaborative relationships between groups within each of the centers and beginning to build effective partnerships between centers. NIEHS CCPDER science administrator Cindy Lawler says the progress is encouraging: "Our investigators are enthusiastic about the potential benefits of working together as a network of centers. By sharing with each other findings that are emerging, center investigators can more quickly react to new findings, including making adjustments in each of their research programs to reinforce or extend the findings of their colleagues."

The objectives of this effort to jump-start scientific progress on the world's second most common neurodegenerative disorder are ambitious. "This program was built on the premise that PD reflects an interaction between genetic susceptibility and environmental factors," says Lawler. "So the goal of the program is to identify and understand these gene-environment interactions, and then rapidly translate that knowledge into the public health domain. This translation could involve identification of new targets for drug therapy or recommendations for reducing exposures to particular environmental agents." As a first step toward translation, the CCPDER is developing a website that will include information describing each of the CCPDER projects and their potential relevance to people with PD.

NIEHS-supported research into PD extends well beyond the CCPDER program. For example, Harvey Checkoway, a professor of environmental and occupational health sciences at the University of Washington, is pursuing a study of gene-environment interactions in PD, with an emphasis on exposures to industrial solvents, heavy metals, and pesticides, along with identification of genotypic risk factors. The hypothesis of PD pathogenesis underlying his group's investigation is that chemicals that provoke oxidative stress reactions destroy dopaminergic neurons preferentially among persons with genetically determined susceptibilities. Checkoway says, "Our study findings to date . . . are suggestive of potentially important relations with dietary iron and manganese."

Deborah Cory-Slechta, director of the Environmental and Occupational Health Sciences Institute in Piscataway, New Jersey, has shown that exposure to a combination of pesticides--the fungicide maneb and the herbicide paraquat--produces a PD-like condition, or PD phenotype, in an animal model. Exploring the question of what other risk factors might modulate this PD phenotype, she has uncovered several potentially important associations.

First, age appears to be a significant risk factor. "We took mice that were six weeks, five months, and eighteen months of age, and exposed them to this pesticide mixture, and got marked effects, particularly in the oldest animals," says Cory-Slechta. "There clearly is an aging component; aging can enhance the effects of these exposures." Other experiments have shown that genetic predisposition can modulate the effects of the pesticide mixture, and that developmental exposures can lead to manifestation of the PD phenotype later in life. "Not only that, but if you take a subset of those animals and challenge them again as adults, they show a very dramatic PD phenotype," she says. Her work could have profound implications for risk assessment questions regarding cumulative neurotoxicity across the life span, sequential exposures, and aging.

AD. Other grantees are investigating environmental factors that are strongly suspected to be involved in the pathogenesis of AD, another typically aging-related neurodegenerative disorder. Exposure to aluminum is falling under increasing scrutiny as a risk factor. Stephen Bondy, a professor of community and environmental medicine at the University of California, Irvine, is examining the theory that aluminum, although it has no intrinsic pro-oxidant properties, may enhance the potential of transition metals such as iron to enhance free radical generation in nerve tissue. He reports that "our experimental findings strengthen the possibility that a prolonged exposure to relatively low levels of aluminum may be neurotoxic. The kinds of deficits that might be expected are not spectacular, but are likely to involve subtle promotion of age-related neurological disease."

Domenico Praticň, a research assistant professor of pharmacology at the University of Pennsylvania, has been investigating the effects of dietary aluminum on amyloidosis, the formation of AD-like plaque deposits, in the brains of transgenic mice. His work, which has previously shown that oxidative stress precedes the onset of amyloid plaques, will elucidate the role of aluminum as a modulator of brain oxidative damage, and will examine the hypothesis that vitamin E, a dietary antioxidant, could delay the onset of amyloid plaque deposition in the animal model.

The potential relevance of mitochondrial dysfunction caused by oxidative damage in the pathophysiology of AD and other neurodegenerative diseases is being investigated by Yeong-Renn Chen, an assistant professor of medicine at The Ohio State University's Davis Heart and Lung Research Institute. He is concentrating on identifying the molecular mechanisms involved when an environmental insult causes defects in two specific mitochondrial enzymes, mitochondrial terminal enzyme and mitochondrial cytochrome c.

Sterling Sudweeks, an assistant professor of physiology and developmental biology at Brigham Young University, is attempting to characterize a group of receptors found in the hippocampus (an area in the brain associated with learning and memory) suspected of playing a role in the development of dementia, one of the tragic hallmarks of AD. Neuronal nicotinic acetylcholine receptors (nAChRs), the physiologic site of action in the brain for nicotine, are also crucial to hippocampal activity. They come in many possible subtypes, and their expression can be influenced by environmental exposures. ß-amyloid protein, which forms deposits in the brains of AD patients, has been shown to bind to and interfere with synaptic signaling through neuronal nAChRs. Sudweeks hopes that characterizing the subtypes of neuronal nAChRs will shed light on which tend to bind with ß-amyloid. This knowledge will help shed light on how environmental exposures can affect individual susceptibility to AD, and ultimately could help identify targets for therapeutic intervention.

Prostate Cancer

Of course, not all environmental exposures are harmful. In fact, some seem to impart a protective effect against other sources of damage. That's the core of the theory behind senior scientist Coral Lamartiniere's study of prostate cancer at the University of Alabama at Birmingham. His group has discovered that dietary exposure to genistein (a phytoestrogen component of soy) starting at puberty suppressed the development of spontaneous prostate cancer in transgenic mice bred to be highly susceptible to the disease. That laboratory observation correlates with other findings that Asian men who consume a traditional diet high in soy products have a low incidence of prostate cancer.

Lamartiniere hypothesizes that this reduced susceptibility to prostate cancer is dependent on a process called "imprinting." In imprinting, the consumption of genistein at a particular time of development--in transgenic mice this time was before or at the onset of puberty--determines the biochemical blueprint of how the prostate will respond later in life to hormone and growth factor stimuli, which can trigger cancer.

Imprinting of the prostate can apparently also render an individual more susceptible to prostate cancer in his adult years. Gail Prins, an associate professor in the University of Illinois at Chicago Department of Urology, has shown that brief exposure of rodents to high doses of natural or synthetic estrogens during development results in permanent alterations in growth and differentiation of the prostate gland. This estrogen imprinting is associated with prostatic lesions and cancer later in life. Estrogen imprinting could sensitize males to later estrogen exposures, increasing susceptibility to estrogen-induced prostatic tumors. Because estrogen levels rise in the aging male, this "two-hit" scenario could help explain the high incidence of prostate cancer in older men. Prins's group is exploring this scenario in animal models, and investigating the genetic basis of the suspected estrogen imprinting.

Osteoporosis

J. Edward Puzas, the Donald and Mary Clark Professor of Orthopedics at the University of Rochester, directs a program in osteoporosis comprising four individual projects, each with its own principal investigator. The unifying hypothesis for the program is that lead adversely affects skeletal metabolism in children and adults to the point that it is a causative factor in bone diseases, especially osteoporosis. The program aims to integrate basic science findings on the effects of lead on the skeleton with the clinical entities of osteoporosis and osteoporotic fractures. The group's preliminary data in both in vitro and in vivo models suggest, Puzas says, that a significant portion of people with osteoporosis may have the disease due to lead exposure, and that lead in the skeleton will prevent normal healing of fractures.

One of the team's projects is intended to translate knowledge gained from the basic research projects into clinical diagnostic and therapeutic trials. They plan to develop a clinical therapeutic paradigm that will take bone lead burden into account as an important factor in the treatment of osteoporosis.

Lead exposure also figures prominently in a study being conducted by Susan Korrick, a lecturer in occupational health at Brigham and Women's Hospital in Boston. Her objective is to study the effects of environmental lead exposures and allelic variants of the vitamin D receptor on the development of osteoporosis in middle-aged women. Preliminary results support the hypothesis that increased bone lead is associated with prospective decreases in bone mineral density and increased bone turnover activity, both of which are risk factors for osteoporosis. Korrick believes that polymorphisms in the vitamin D receptor genotype may be responsible for increased susceptibility to the disease, and that lead exposure may be involved in triggering or accelerating the skeletal changes associated with osteoporosis.

The above compendium represents just a small fraction of the aging-related environmental health research taking place both within the NIEHS and with its support. Wilson was, if anything, understating the case when he told the December workshop participants that "certainly this is an area that we at NIEHS have been interested in for some time."

Scientists may never discover a way to halt or reverse the aging process. But with the breadth and depth of aging-related research going on at the NIEHS and elsewhere, it seems likely that substantial progress can be expected in the quest to prevent and treat diseases associated with aging, and to ensure that the environmental contribution to aging is restricted to the normal and the natural.

Ernie Hood

 

 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Bijlage 2

 

Persbericht Vlaamse Milieumaatschappij

 

Milieuverontreiniging kost Vlaming gemiddeld 5 gezonde levensmaanden,

ook externe kosten lopen op.

 

Milieuverontreiniging heeft invloed op volksgezondheid

 

MIRA-T 2004 schetst een beeld van de effecten van milieuverontreiniging op de volksgezondheid in Vlaanderen. Die effecten worden uitgedrukt in aantal verloren gezonde levensjaren, zoals ook de Wereldgezondheidsorganisatie dat doet. Een verloren gezond levensjaar kan zowel slaan op een verloren levensjaar door vroegtijdige sterfte als op een periode van ziekte.

Het onderzoek beperkt zich tot de factoren zwevend stof, ozon, kankerverwekkende stoffen, lood en lawaaihinder. Deze aspecten van milieuverstoring liggen aan de bron van heel wat aandoeningen aan hart en luchtwegen, van kankers en van ernstige hinder en slaapverstoring door geluid. Vorig jaar leidde dit in Vlaanderen tot het verlies van 36.000 gezonde levensjaren. Concreet betekent dit dat elke Vlaming - bij een ongewijzigde milieutoestand - gemiddeld vijf gezonde levensmaanden verliest.

De ziektelast is bovendien ongelijk verdeeld over de bevolking: kinderen, ouderen en zieken boeten meer in aan gezonde levensmaanden.

Met deze cijfers is nog maar een deel van de impact van de actuele milieutoestand op de gezondheid gekend. Zo kunnen de gezondheidseffecten van een aantal gevaarlijke stoffen zoals PCB’s, bestrijdingsmiddelen of gebromeerde vlamvertragers in de lucht en het voedsel nog niet gekwantificeerd worden. Ook de precieze invloed van andere milieuproblemen zoals

klimaatverandering is nog onvoldoende in cijfers uit te drukken. Het gemiddelde verlies van vijf gezonde levensmaanden is dus ongetwijfeld een onderschatting van de werkelijke impact.

Het grootste aandeel in het totaal aantal - gekende - verloren gezonde levensjaren komt op rekening van zwevend stof (71%). Zwevend of fijn stof is een mengsel van afzonderlijke deeltjes met uiteenlopende samenstellingen en afmetingen. Hoe kleiner de afmetingen, hoe dieper stofdeeltjes kunnen doordringen in de longen en hoe groter het schadelijk effect. Langdurige blootstelling aan zwevend stof verhoogt het risico op sterfte door hart- en luchtwegenaandoeningen en op longkanker.

De totale uitstoot van zwevend stof daalde in de tweede helft van de jaren ’90, maar sinds 2000 niet meer.

De industrie, het verkeer en de huishoudens zijn de belangrijkste bronnen van zwevend stof. De industriële emissies zijn afgenomen in de periode 1995-2000 door het toenemend gebruik van aardgas i.p.v. aardolie en steenkool en door een betere rookgaszuivering.

De emissies door de verwarming van de woningen (huishoudens) zijn sinds 1995 nagenoeg niet veranderd: de milieuwinst door een groter aandeel aardgas wordt tenietgedaan door een stijging van het aantal gezinnen en een toegenomen energiegebruik. Betere isolatie en efficiëntere verwarmingsinstallaties zijn dus niet alleen noodzakelijk om de klimaatverandering tegen te gaan en de Kyoto-doelstellingen te halen, ze dragen ook bij tot de vermindering van de gezondheidseffecten door zwevend stof.

 

Het verkeer is een belangrijke bron van zwevend stof. Vooral de verbranding van brandstof, maar ook de slijtage van banden, remmen en wegdek veroorzaken zwevend stof. Door het gebruik van steeds zuiniger en properder voertuigen, daalt de uitstoot van zwevend stof door verkeer. Toch is ook hier een aanpak aan de bron het meest effectief: hoe minder de wagen gebruikt wordt, hoe beter. En een milieuvriendelijk rijgedrag zal niet alleen het brandstofverbruik, maar ook de gezondheidseffecten verminderen.

 

Gezondheidseffecten door geluidshinder zijn goed voor 18% van de verloren gezonde levensjaren. Uit een recente enquęte blijkt dat ongeveer 30% van de bevolking zich tamelijk of ernstig gehinderd voelt door geluid. Hoewel alle sectoren geluidshinder veroorzaken, is het verkeer veruit de belangrijkste bron van hinder. 1,4% van de Vlaamse bevolking of omgerekend 84.000 inwoners zeggen dagelijks wakker te worden door het geluid van wegverkeer, voor de luchtvaart is dat 0,5% of 30.000 inwoners.

 

Kankerverwekkende stoffen zijn goed voor 6% van de verloren gezonde levensjaren.

En er zijn nog andere milieuverstorende factoren die een invloed hebben op onze gezondheid, al is de impact daarvan nog niet becijferbaar in verloren gezonde levensjaren.

 

Een belangrijk en vaak onderschat gevolg van de klimaatverandering, is de toename van het aantal hittegolven. In Europa vielen de 8 heetste zomers sinds 1850 allemaal in de laatste 14 jaar. Uit analyses van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid blijkt dat de hittegolf van 2003 in België meer dan 1.250 mensenlevens eiste. De uitstoot van broeikasgassen is een belangrijke oorzaak van die opwarming. In Vlaanderen ligt de uitstoot nog 10% boven de Kyoto-doelstelling en er is nog steeds geen sprake van een structurele daling.

 

Kostenplaatje?

 

Milieuverontreiniging leidt ook tot externe kosten. Externe kosten zijn schadekosten door ongewenste neveneffecten van maatschappelijke activiteiten (bv. transport, industriële productie …) die schade berokkenen aan andere personen, gewassen, gebouwen, materialen … en niet mee verrekend zitten in de prijs die we betalen.

De externe kosten van de verontreiniging door zwevend stof zijn vooral gezondheidskosten. Voor Vlaanderen werd het totaal van de externe gezondheidskosten van zwevend stof in 2003 berekend op 1,1 miljard euro. Dit bedrag komt overeen met 0,8% van het bruto binnenlands product (BBP) of 190 euro per inwoner.

 

Ook de externe kosten van het verkeer zijn aanzienlijk. Ze omvatten kosten door tijdsverlies in de file, ongevallen, schade aan het wegdek en milieuschadekosten.

De externe kosten van het wegverkeer verschillen sterk volgens voertuigtype en naargelang plaats en tijdstip. Een gemiddeld voertuig (inclusief vrachtwagens en bussen) veroorzaakte in 2002 in nietstedelijk gebied tijdens de dalperiode 11 euro schade per 100 (extra) gereden kilometer. In stedelijk gebied tijdens de piekperiode (spits) is dit bijna 97 euro per 100 (extra) gereden kilometer. Als de externe kosten vergeleken worden met de belastingen op het wegverkeer, blijkt dat deze slechts een fractie van de kosten dekken. Het verschil is vooral groot in de stad en tijdens de piekperiode. Om deze kosten beter in rekening te brengen, zouden de belastingen moeten variëren naargelang voertuigtype, plaats en tijdstip.

De brede waaier aan gevolgen van milieuverontreinigende activiteiten impliceert ook dat inspanningen om deze aan te pakken meer dan één positief gevolg hebben. Wie zijn/haar wagen wat vaker laat staan, draagt niet alleen zijn/haar steentje bij tot de aanpak van luchtverontreiniging, klimaatverandering en geluidshinder. Ook onze gezondheid zal erbij gebaat zijn. Daar bovenop bespaart hij/zij de kosten die gepaard gaan met deze negatieve effecten voor zichzelf, medeburgers, bedrijven en overheid. Een analoge redenering gaat ook op voor een betere isolatie van de woningen en andere energiebesparende maatregelen.

 

De samenvatting (13 pagina’s) van MIRA-T 2004 geeft een vollediger overzicht van de bevindingen van het rapport en is beschikbaar op www.vmm.be/mira. Op deze vernieuwde website kunnen ook alle teksten van MIRA-T 2004 en nog veel meer milieu-info geraadpleegd worden.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Bijlage 3

 

Wisselende Berichtgeving over dodentol hittegolf 2003

 

30/8/2003

'In België geen sprake van gezondheidscrisis door hitte'

Minister Demotte laat steekproef nemen in aantal ziekenhuizen

'Niets wijst erop dat de hittegolf van augustus in ons land heeft gezorgd voor een gezondheidscrisis.' Dat stelt minister van Volksgezondheid Rudy Demotte (PS) in een nota op basis van een rondvraag en een beperkte steekproef bij 55 ziekenhuizen, die De Morgen kon inkijken. 'Het federaal alarmplan werkt.' Experts manen echter aan tot voorzichtigheid. 'Hieruit kun je nog geen enkele conclusie trekken.' Gisteren maakte het Franse ministerie van Volksgezondheid de dramatische dodentol bekend die de hittegolf daar heeft geëist: 11.435 extra doden.

Nathalie Carpentier

 

Zorgde de hittegolf die de eerste helft van augustus ook ons land in de ban hield nu voor een duidelijke toename van het aantal sterfgevallen of niet? Op het ogenblik zelf meldde onder meer de dienst overlijdens van de stad Gent dat de overlijdensaangiften voor die periode vergeleken met het jaar voordien met 36 procent waren gestegen. Op globalere officiële cijfers was het echter nog wachten.

In een nieuwe nota die De Morgen kon inkijken, maakt minister van Volksgezondheid Rudy Demotte nu de balans op van de hittegolf in ons land. Hoewel Demotte erkent dat er nog geen volledige cijfers zijn over de impact is het duidelijk dat de balans positief uitvalt, aldus de minister. "Er was in België geen gezondheidscrisis die verband hield met de hittegolf." En: "De structuren (waaronder de Cel Medische Bewaking) hebben gefunctioneerd." Ook als de hitte langer had aangehouden of de temperatuur hoger was opgelopen, zou het alarmsysteem en het noodplan in staat zijn geweest om de situatie het hoofd te kunnen bieden, aldus Demotte. Een rondvraag van het Radio 1-programma De Wandelgangen bij de burgerlijke stand van alle grote steden lijkt die stelling te ondersteunen: ondanks de grote hitte in augustus vielen er in Vlaanderen en Brussel geen extra doden.

Omdat het wachten was op cijfers liet Demotte de Cel Medische bewaking een steekproef uitvoeren bij 55 ziekenhuizen: 33 in het Vlaams Gewest, 17 in het Waals Gewest en 6 in het Brussels Gewest. Daarbij werd voor de eerste twee weken van augustus het aantal opnamen en het aantal sterfgevallen vergeleken tussen 2002 en dit jaar. Waarom iemand werd opgenomen en of die opnamen verband hielden met de hitte of niet is echter niet geweten. Over globale sterftecijfers in de ziekenhuizen beschikt het kabinet niet. Ook over de rusthuizen zijn er geen officiële cijfers. Uit navraag bleek echter dat de hitte geen verhoogde gezondheidsproblemen opleverde.

"Dit is een representatieve steekproef", vult Demottes woordvoerder Karim Ibourki aan. "Vanuit de rusthuizen hebben we geen alarmsignalen gekregen. Als er zich een ernstig probleem voordoet in de rusthuizen, komen die overigens bij de spoed terecht. Uit het aantal opnamen in een ziekenhuis kun je afleiden of er een gezondheidscrisis was of niet. De gegevens daarover zeggen dat er geen crisis was."

Gezondheidsexperts waarschuwen echter dat het te vroeg is om al conclusies te trekken over de impact van de hittegolf, de steekproef is ook te beperkt. "Ik vermoed dat de impact inderdaad niet heel erg was, maar ik zou hier toch zeer voorzichtig mee zijn", zegt Peter Hooft, hoofd van de Administratie Volksgezondheid van de Vlaamse gemeenschap, arts en epidemioloog. "Trends die je hieruit afleidt, kunnen nog altijd toeval zijn. Om echt zinvol te zijn, moet je geduld hebben en wachten op cijfers van september. Dan kun je zien of de extra overlijdens genivelleerd worden door een lager aantal."

Professor Marc Sabbe, diensthoofd spoedgevallen van het Leuvense Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg, deelt die mening. "De enige conclusie die je hier nu al uit kunt trekken, is dat we dringend een instituut nodig hebben zoals het Amerikaanse Center for Disease Control, zodat je meteen on line en op het ogenblik zelf alle cijfers kunt controleren. Alleen dan kun je kort op de bal spelen en effectief ingrijpen."

In dit geval werden vooral retrospectief gegevens verzameld, wat niet de correcte methode is, voegt Sabbe eraan toe. "Dit is een mooie poging om de situatie te evalueren. Zoiets moet zeker aangemoedigd worden, maar het is verre van perfect. De Cel Medische Bewaking is nog onvoldoende gestructureerd. Uit de gegevens die ze verzameld heeft, kun je de echte impact van de hittegolf niet aflezen. Het gros van de Belgische bevolking overlijdt overigens nog altijd thuis of in een rusthuis en niet in een ziekenhuis. Als je enkel cijfers van ziekenhuizen hebt, kun je misschien zien dat er geen relevant verschil is tegenover vorig jaar, maar verder mag je daaruit niets concluderen."

Hoe dan ook was de situatie in ons land niet te vergelijken met de dramatische omvang die de hittegolf in Frankrijk aannam, besluit het kabinet. Peter Hooft beaamt. "Onze gezondheidszorg is beter georganiseerd en ook het sociaal vangnet is groter. Bovendien is in Parijs de temperatuur niet alleen hoger opgelopen, de stad kampt ook met erg veel smog. Hier hebben we zeker geen Franse toestanden meegemaakt."

Gisteren liet het Franse ministerie van Volksgezondheid weten dat de hitte tijdens de eerste helft van augustus had gezorgd voor 11.435 extra doden. Dat is een stuk hoger dan de overheid eerst wilde toegeven: aanvankelijk hielden ze het op 3.000 doden, terwijl de beroepsvereniging van begrafenisondernemers voor de eerste drie weken al sprak over 10.400 extra doden.

In Frankrijk eiste de voorbije hitte 11.435 mensenlevens. De Belgische minister van Volksgezondheid zegt dat het noodplan voor hitte hier werkte. (Foto AFP)

De Morgen, pagina 6, 782 woorden
© 2003 Uitgeverij De Morgen n.v.

 

18-09-2003

Minder zomerdoden in 2003

Deze zomer stierven in België niet meer mensen dan andere jaren, zelfs eerder minder. Dat blijkt uit de eerste, nog niet helemaal volledige officiële cijfers die minister van Volksgezondheid Demotte (PS) van het rijksregister kreeg. Eerder wees een steekproef bij enkele ziekenhuizen erop dat de hittegolf wel voor extra doden gezorgd zou hebben. In juli en augustus stierven 15.891 mensen, minder dan in de vorige zomers. Omdat de hittegolf ook op langere termijn gevolgen kan hebben, gaat de screening door tot in oktober. Demotte wil wel het systeem om zulke gegevens in te zamelen verbeteren. In Frankrijk kostte de hitte het leven aan 11.000 ŕ 15.000 mensen. Ook in Portugal en Italië vielen hitteslachtoffers. (NC)

De Morgen, pagina 3, 202 woorden
© 2003 Uitgeverij De Morgen n.v.

 

 

01-07-2004

 

Hittegolf eiste toch 1.300 levens

Minister Rudy Demotte lanceert actieplan voor hete zomer

De hittegolf van vorig jaar maakte in ons land bijna 1.300 doden en dat zijn er beduidend meer dan aanvankelijk gedacht. Om herhaling te voorkomen, heeft minister van Volksgezondheid Rudy Demotte (PS) een nationaal actieplan opgesteld. Maar, zegt hij, ,,zonder buurtsolidariteit waarmee we de zwaksten in onze omgeving helpen, vermogen we niets tegen een hittegolf''.door Frans DE SMET

Pas nu kan de balans worden opgemaakt van de hittegolf die ons in augustus 2003 trof. De cijferaars van minister Demotte komen uit bij 1.258 tot 1.297 extra doden als gevolg van de hittegolf. In verhouding tot de bevolking is dit een kwart van de extra sterfte in Frankrijk, waar de temperaturen nog veel hoger opliepen.

Dat de ramingen lichtjes uiteenlopen, komt doordat het vooral om (hoog)bejaarden gaat, en als die terminaal ziek zijn, valt niet altijd met zekerheid uit te maken of de hitte hun dood wel of niet vervroegde.

De temperaturen lagen nog iets hoger in Franstalig België dan in Vlaanderen, en daar vielen bijgevolg in verhouding meer doden. Ook in Brussel piekte het sterftecijfer. Demotte ziet daarin het bewijs dat de onderlinge solidariteit, die in de anonieme massa van een grootstad minder groot is dan op het platteland, een bepalende factor is bij het inperken van het aantal slachtoffers.

Maar in Vlaanderen doet zich een ander curieus fenomeen voor: na de eigenlijke hittegolf, in september, werden bij ons nog eens 389 doden toegeschreven aan de naweeën ervan. In de andere gewesten deed dit fenomeen zich niet voor. Demotte: ,,We hebben niet het flauwste vermoeden hoe dat komt.''

Wie loopt risico?

Maar de balans van de hittegolf is alleszins voldoende zwaarwichtig om een nationaal actieplan op te stellen. Dat loopt al sinds 1 juni. Demotte verspreidt een informatiefolder op 750.000 exemplaren via dokters, apothekers en andere hulpdiensten. Hij stuurt omzendbrieven naar alle dokters, zieken- en rusthuizen en andere zorgverstrekkers. In de rusthuizen worden koele vertrekken ingericht. Risicopatiënten worden geďdentificeerd. ,,Anticiperen op een hittegolf is van het grootste belang.''

Van zodra de gemiddelde temperatuur gedurende drie dagen de 23 graden overstijgt, wordt overgeschakeld op verhoogde waakzaamheid.

Maar, zegt Demotte, ,,ons plan staat en valt met het versterken van de onderlinge solidariteit. Wie loopt er risico? Ouderen, jonge kinderen, zieken, alleenstaanden die weinig mobiel zijn en noodgedwongen huizen in warme verblijven zoals de hoogste verdiepingen. Enkel via buurtsolidariteit kunnen we drama's voorkomen bij risicogroepen. Het gezin, de vrienden en de buren moeten hun deel van de taak op zich nemen.''

Het Nieuwsblad, pagina 5, 355 woorden
© 2004 Vlaamse Uitgeversmaatschappij
n.v.

 

 

 

02-07-2004

Nathalie Carpentier;

Topklimatoloog die duizend hittedoden voorspelde, werd vorig jaar nog weggelachen

'Solidariteit is goed en wel, maar om een herhaling van deze catastrofe echt te voorkomen moet je de broeikasgassen fors reduceren'

Professor Jean-Pascal Van Ypersele (UCL) voorspelde vorige zomer al dat de hittegolf van 2003 ook in ons land voor meer dan duizend hittedoden zou zorgen. Dat stuitte toen op erg veel sceptische reacties, maar gisteren kreeg hij gelijk met het officiële dodencijfer: meer dan 1.250 doden. Het noodplan dat minister Demotte uitwerkte, vindt hij een halfslachtige oplossing. 'Om een herhaling van deze catastrofe echt te voorkomen moet je de broeikasgassen fors reduceren.'

'De zomer van 2003 gaat 1.500 keer doden." Met die forse uitspraak in de Franstalige media kon professor Jean-Pascal Van Ypersele, lid van het Intergouvernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de Verenigde Naties, een groep topwetenschappers die de impact van de opwarming van onze planeet bestudeert, vorige zomer niet alleen rekenen op ongelovige reacties in de pers, ook veel van zijn collega's reageerden bijzonder sceptisch. "Maar jammer genoeg blijk ik nu gelijk te krijgen. Maar ook nu nog wordt het geminimaliseerd. Het kabinet nuanceert het door te verwijzen naar Frankrijk, waar het aantal doden nog hoger lag. Dat is geen argument. Er zijn 1.300 mensen gestorven, dat is een catastrofe. Als er twee Airbussen boven België zouden neerstorten, zou je daar maandenlang over horen."

Gisteren stelde minister van Volksgezondheid Demotte tevens een noodplan voor om een herhaling van het scenario te voorkomen. Daarin worden onder meer medische maatregelen voorgesteld, acties om dehydratatie van ouderen en zwakkeren te vermijden en wordt gevraagd om oudere, kwetsbare mensen niet in de steek te laten. Het plan rept echter met geen woord over het effect van de ozonpieken, noch over de invloed van de milieuvervuiling. "Bij de vorige dramatische hittegolf in 1994 is gebleken dat veel doden te wijten waren aan een combinatie van ozonpieken en de hitte. We kunnen niet bewijzen dat de hittegolf van 2003 een duidelijk effect is van de klimaatsverandering, het kan altijd nog om een fluctuatie gaan. Maar wat wel duidelijk naar voren komt bij simulaties van klimaatmodellen is dat zulke zomers alleen maar frequenter zullen worden. En het IPCC heeft berekend dat het gros van de klimaatsopwarming toe te schrijven is aan de uitstoot van broeikasgassen door de mens."

Het noodplan mist dan ook grotendeels zijn doel, vindt Van Ypersele. "Dit is een enorme gemiste kans om de basisoorzaak van dit fenomeen aan te pakken. Er wordt voorgesteld om extra water te geven en dehydratatie te vermijden bij ouderen bij een eventuele volgende hittegolf. Maar als je een herhaling van deze catastrofe echt wilt voorkomen, moet je de uitstoot van de broeikasgassen fors reduceren." Van Ypersele is verbaasd dat die reflex ook nu nog ontbreekt. "Blijkbaar wachten we gewoon tot het weer gebeurt. Wat is er nog nodig om het alarmbelletje te laten rinkelen? Overstromingen op de golfterreinen van Knokke-Le Zoute?"

De Morgen, pagina 6, 394 woorden
© 2004 Uitgeverij De Morgen n.v.

Bijlage 4

 

 

22-02-2005

Nathalie Carpentier;

Studie schetst impact van fijn stof in lucht op onze gezondheid

Jaarlijks 288.000 vroegtijdige overlijdens in Europa, 10.669 in België

De smog van fijn stof veroorzaakt jaarlijks bijna 300.000 vroegtijdige overlijdens in Europa, zo blijkt uit een studie die gisteren bij de Europese Commissie werd besproken (zie pagina 1). Ons land, vooral het noorden, scoort bijzonder slecht. Niet alleen is de dodentol hier proportioneel het hoogst, de vervuilde lucht kost ons ook meer gezonde maanden in vergelijking met andere landen. Met een dichtbevolkt verstedelijkt gebied, een dicht wegennet met veel dieselvoertuigen en de nabijheid van industriële gebieden piekt de concentratie fijn stof in Vlaanderen.

Omdat fijn stof bestaat uit stofdeeltjes met een diameter van een honderdste van een millimeter of kleiner kunnen ze diep doordringen in de longen en de bloedbaan. Probleem is dat fijn stof in de lucht allerlei vervuilende stoffen zoals zware metalen, dioxines, of pcb's met zich meedraagt, die zo via de ademhaling het lichaam binnendringen.

Op korte termijn kan de luchtvervuiling ervoor zorgen dat zieke mensen sneller overlijden. Op lange termijn spelen ze mogelijk een rol bij de ontwikkeling van tumoren en ademhalingsstoornissen. Een studie die door de Europese Commissie besteld werd voor het programma Clean Air for Europe schetst de impact op de gezondheid.

Zo zou de smog van fijn stof verantwoordelijk zijn voor meer dan 288.000 vroegtijdige overlijdens in Europa. In ons land stierven in 2000 10.669 mensen vroegtijdig, relatief meer dan één op de duizend inwoners. Daarmee is de relatieve dodentol in ons land het hoogst van alle Europese lidstaten. Ook kost de vervuilde lucht ons het meeste gezonde maanden: 13,6. De vervuiling zou de levensverwachting in Europa doen dalen met gemiddeld negen maanden.

Fijn stof komt ook natuurlijk voor, maar wordt daarnaast uitgestoten door het verkeer, vooral dieselvoertuigen, de industrie en bij de verbranding van fossiele brandstoffen. "Vlaanderen behoort samen met Nederland, het westen van Duitsland en de regio Milaan tot de sterkst vervuilde gebieden", verduidelijkt Mie Van den Kerckhove, woordvoerster van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). "We zitten hier met een dichtbevolkt en sterk verstedelijkt gebied, er is de nabijheid van geconcentreerde industriezones zoals het Roergebied en het zuiden van Nederland. Daarbij hebben we een dicht wegennet en rijden wij in vergelijking met andere landen nog heel veel met dieselmotoren."

Sinds begin 2005 geldt er een nieuwe strengere richtlijn voor de maximumconcentratie fijn stof in de lucht. De gemiddelde dagelijkse concentratie fijn stof met een diameter van een honderdste van een millimeter mag 50 microgram per kubieke meter niet overschrijden. "Wij halen dat niet", aldus Van den Kerckhove. "In 2003 hebben we die richtlijn in zowat alle meetstations overschreden. Dat hing toen samen met een uitzonderlijk hete zomer, maar ook in de toekomst zullen we erg veel moeite hebben om aan die norm te voldoen. Er is duidelijk een probleem met fijn stof in ons land."

De Morgen, pagina 5, 469 woorden
© 2005 Uitgeverij De Morgen n.v.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Bijlage 5

 

Symposium milieukwaliteit en gevoelige groepen, november 2004)

 

( STICHTING MELDPUNTENNETWERK  GEZONDHEID & MILIEU )

 

Lezing  Dr. M.M.H.M. Meinardi, dermatoloog,

Huid en Omgeving – MSC

 

Er komt een patiënt met klachten bij je. Je herkent het klachtenpatroon, doet onderzoek,

stelt de diagnose en gaat na of er interne of externe factoren aanwezig zijn, die de

klachten verergeren. Aanpakken van deze factoren is belangrijk. Als iemand pijn heeft

omdat zijn vingers tussen de deur zitten, kun je twee dingen doen. Je kunt hem

pijnstillers geven, maar ook zijn vingers tussen de deur uithalen…Dat klinkt simpel, maar

dat wordt nogal eens vergeten. Heel vaak wordt er snel naar een receptenboek

gegrepen, omdat we ons allemaal voorstellen dat patiënten bij ons komen voor een

recept. Opsporen van de oorzaak, voorlichting en preventie zouden echter minstens even

belangrijk moeten zijn. Maar meestal kabbelt het rustig zo door, tot er op een dag een

patiënt komt, die zegt: “ik heb eetlustverlies”. Da’s goed, dat kunnen we ons voorstellen,

en schrijven we op. Daarnaast heeft de patiënt ook nog klachten van een doof gevoel,

moeheid en nog veel meer. Op een gegeven moment krijg je een beeld wat niet meer

klopt. Normaal heeft iemand last van eczeem of jeuk door gebruik van een deo of zeep.

Je haalt de deo of zeep weg en de klachten zijn over.

Zodra de klachten zich uit gaan breiden over het hele lichaam in een schijnbaar

chaotische mengeling van symptomen die ook nog eens verergerd worden door het

ruiken van bijv. dieselolie of tapijtlijm en ook nog eens progressief zijn, mild beginnen

maar later zo verergeren dat mensen niet meer naar buiten kunnen, maar wel direct

opknappen in een schone omgeving, dan breekt onze klomp. Dat staat niet in ons boek

en daar kunnen we niets mee. We hebben een simpel vak. We hebben boeken en die

boeken hebben vakjes en als je daar als patiënt in past dan is het goed en wordt er een

therapie bijgezocht.

Iets wat je niet verder mag vertellen; als je kijkt naar de effectiviteit van de Westerse

geneeskunde dan kunnen we maar 30 % genezen en 70 % is pappen en nathouden…

Op een gegeven moment heeft de patiënt alles verteld en komt met de eindzin: Dokter,

ik heb MCS. Wat is MCS? Officieel bestaat het niet maar er zijn wel patiënten met deze

klachten, en niet één maar meerdere met een verschillend maar toch op elkaar gelijkend

klachtenpatroon. Beginnend met een milde maar eindigend met een heftige intolerantie

voor alles wat er zich in hun omgeving bevindt.

Als wij op het internet naar MCS gaan zoeken komen wij geen objectieve bronnen tegen,

maar toch zijn er vele patiënten. Misschien is het wel zo dat mensen met MCS een

mechanisme hebben ontwikkeld waarmee hun lichaam aangeeft dat er iets niet goed zit

in hun omgeving. Een soort natuurlijk waarschuwingsmechanisme. Paddestoelen die vies

ruiken eet je niet...

Als je gaat zoeken in de literatuur, dan zie je dat er twee groepen zijn, die niet mengen.

Bij 2/3 vind je een organische oorzaak en bij 1/3 een psychische. Bij het zoeken naar

organische oorzaken kom je momenteel vele ideeën tegen. Iedereen heeft zijn eigen idee

en gaat daarmee aan de slag. Vaak wordt er onderzoek gedaan met bepaalde testen

zonder voorafgaande hypothese. Je ziet verschillen, maar je weet echter niet of de

veranderingen te maken hebben met een ziekmakend of herstellend proces. We kunnen

dan een verkeerd beeld krijgen.

Mensen die MCS hebben zijn exponentieel gevoeliger voor chemicaliën, geur, gas, damp.

De symptomen zijn divers. Een bekende ziekte kan worden versterkt en vervormd o.i.v.

MCS. Ook is er sprake van versterkt en vervormd ruiken. Meestal is er snel herstel in een

schone omgeving.

Er bestaat geen eenduidige test voor MCS. Er zijn heel veel testen waarvan de uitslagen

vaak net positief zijn. Maar hoe ontstaan labwaarden? Er wordt bijv. bij honderd mensen

met suikerziekte gekeken naar de waarde en aan de hand daarvan wordt een gemiddelde

 

vastgesteld. Zit je daaronder dan heb je geen suikerziekte. Het is maar de vraag of dit de

juiste methode is…

We kijken momenteel naar MCS zoals in 1610 Galileo Galilei naar Saturnus keek en

concludeerde dat het oren heeft als een kopje. Naarmate de kennis groeide kwam men

later in de geschiedenis tot een andere (juiste) conclusie. In 1659 concludeerde

Christiaan Huygens dat Saturnus een ringstructuur had…

Als wij over, zeg 50 jaar, terugkijken dan moeten we vaststellen dat we naar MCS keken

zoals Galilei naar Saturnus, een planeet met oren. Pas later zag Huygens hoe het echt

zat, een ring om de planeet. Een compleet ander concept.

MCS is geen witte vlek op de maar staat niet eens op de kaart van de artsen. We denken

namelijk dat we alles weten, doen dat ook zo voorkomen en dan komt er een concept

wat niet past, en ontkennen dat het bestaat.

We hebben een gebrek aan kennis maar belangrijker is de wil om ons gedrag te

veranderen. Wat doen we zelf? Ik ga straks met een auto terug en als ik bij de

benzinepomp sta, ruik ik het een en ander. Dan denk ik, ja dit ik voorbeeld heb ik

gebruikt om aan iemand aan te geven dat je wordt blootgesteld aan allerlei stoffen.

Iets meer betalen voor ons voedsel zou een hoop uitmaken maar wie wil dat? We gaan

liever goedkoop naar de supermarkt.

 

De huid is een barričre voor omgevingsinvloeden

 

De huid speelt een belangrijke rol bij het buiten houden van omgevingsfactoren (UV,

micro-organismen, parasieten, grote moleculen, eiwitten) en bij het binnen houden van

water en elektrolyten. De huid is ook belangrijk voor de temperatuurregulatie. Er zijn

stoffen, die de huidbarričre passief kunnen passeren en op die manier

vergiftigingsverschijnselen kunnen veroorzaken (chroom, kwik, oplosmiddelen,

pesticiden).

Wanneer mensen komen met huidklachten, dan kan er sprake zijn van allergie (rol

immuunsysteem) of irritatie (voor testen zie bijlage 2). Wordt een allergie aangetoond,

dan is het uiteraard ook nodig na te gaan of de huidige huidklachten inderdaad

veroorzaakt worden door die allergie. Zeer belangrijk is dat het vetlaagje (de

lipidebarričre) intact blijft. Heel veel stoffen kunnen dit beschadigen, ook water, en dan

droogt de huid uit en wordt deze gevoeliger voor uitwendige factoren.

Ook het darmslijmvlies is een barričre. Dit kan net als de huid meer of minder doorlatend

zijn voor stoffen die er eigenlijk niet doorheen mogen. Bij verhoogde doorlaatbaarheid

ontstaat voedselallergie. Onderzoek aan geďsoleerd darmepitheel wees uit dat het

transport van twee stoffen door het darmepitheel door histamine 2-5x en bij allergie

voor eugenol 300x versneld werd. Eugenol zit behalve in cosmetica en parfums ook in

heel veel voedingsmiddelen. Het komt uit kruidnagel en kaneel en heeft van nature een

insecticide en fungicide werking. Ook bloemen, zoals rozen en hyacinthen hebben

eugenol in hun geur. (zie bijlage 2)

 

Conclusies:

 

1. Bij MCS aandacht hebben voor complicaties: allergie, darmproblemen

2. De meeste artsen weten er niets van en doen niets

3. Geef de huid meer aandacht

4. Streef naar gifvrije omgeving

 

 

lezing: Dr. Doris Rapp

“Hoe chemicaliën op onverwachte wijze onze gezondheid aantasten”.

 

Dr. Doris Rapp is klinisch assistent professor in de kindergeneeskunde aan de universiteit van de staat New York in Buffalo. Onlangs werd zij op de Harvard Universiteit ‘de moeder van de Milieugeneeskunde’ genoemd.

Dr. Rapp heeft een stichting genaamd Environmental Medical Research Foundation. In haar laatste boek: ‘Our Toxic World: A Wake-up Call’ worden de vele negatieve gezondheidseffecten besproken van bepaalde synthetische stoffen op onze hersenen, lichamen en geslachtsorganen. Daarnaast geeft het de lezer ook hoop en mogelijkheden zich ertegen te beschermen en gezond te blijven.

 

 “My aim is not to scare you a little, but to scare you a lot!”

(samenvatting)

 

Het is slechter gesteld met ons milieu dan je denkt, maar het goede nieuws is dat je zelf

een hoop kunt doen. In Europa gaat men uit van het voorzorgsprincipe en heeft men het

POP’s-beleid, maar in Amerika is de situatie heel anders. Wat weten we nu van de

combinaties van chemicaliën waar we dagelijks aan blootgesteld worden? Chemicaliën

veranderen organen en onze genen, tasten je immuunsysteem aan maar ook je

zenuwstelsel, endocriene en voortplantingssysteem. Elk gebied van je lichaam kan

beďnvloed worden, zelfs al bij een kleine hoeveelheid. Alles is nu verontreinigd met

chemicaliën; je bloed, urine, vetweefsel en bij vrouwen de moedermelk. En het is een

farce dat men zegt dat dit niet te bewijzen is.

Onderzoeken in de VS tonen meer hersenbeschadigingen en tumoren bij kinderen aan,

achteruitgang van de kwaliteit van sperma, toename van agressiviteit en transsexualiteit,

diabetes bij honden en katten, visziekte in vervuild water.

Meervoudige chemische overgevoeligheid is de oorzaak van veel problemen.

Verschijnselen die op blootstelling duiden zijn onder meer paniek- en angstaanvallen,

oorinfecties bij kinderen, druk op de borst, maagoprispingen en buikproblemen, spierpijn,

hoofdpijn, gedragsproblemen.

Onze lichamen bevatten gif en moeten dringend ontgift worden. Het antwoord is ‘vermijd

gif en zorg dat het je lichaam uitgaat’. Daar zijn een aantal therapieën voor. Gebruik

nutriënten om het immuunsysteem weer op te bouwen. Reinig de binnenlucht en het

leidingwater met zuiveringsapparatuur. Vermijd EM-velden en mobiele telefoons.Drink

meer water, en eet alleen onbespoten, onbestraald en gentechvrij voedsel. Maak een

einde aan stress, mediteer, doe meer aan lichaamsbeweging.

Kinderen kun je laten schrijven of tekenen voor en na vermoede blootstelling. Is er

verschil? Meer informatie en tips over zelfmedicatie: mijn boek A wakeup call.

 

 

Bijlage 6

Leidt milieuvervuiling tot meer dementie?

 

Zenuwstelsel

 

Chris Honselaar onderzocht bij de Biolo- giewinkel wat er bekend is over een mogelijk verband met milieufactoren bij ouder- domsziekten van het centrale zenuwstelsel. Daarbij ging hij in op de ziektemechanismen bij de ziekte van Alzheimer (dementie), Parkinson en een aantal andere hersenziekten. Deze ziekten gaan gepaard met degeneratieve veranderingen in het zenuwstelsel. Patiënten leven gemiddeld tien jaar korter dan gezonde generatiegenoten. Veroudering, met andere woorden, kan afgemeten worden aan de kwaliteit van het centraal zenuwstelsel.

Tussen de verschillende ziektebeelden bestaan nogal wat overlappende verschijnselen. Vrijwel altijd is er sprake van aan- geboren gevoeligheid, maar het is goed denkbaar dat belasting met chemische stoffen een extra risicofactor vormt. De meeste bestrijdingsmiddelen zijn zenuwgiffen. Maar ook zware metalen en tal van luchtverontreinigende stoffen kunnen zenuwcellen aantasten.

 

 

 


Om daadwerkelijk schade te kunnen veroorzaken moet de stof eerst het zenuwstelsel bereiken. De hersenen zijn beschermd

door de bloed-hersenbarričre, die de meeste gifstoffen tegenhoudt. Stoffen die gemakkelijk in vet oplossen kunnen deze barričre passeren. Daaronder vallen veel bestrijdingsmiddelen. Ook via de neus kunnen stoffen de hersenen binnenkomen. Er zijn twee routes: de longen en de reukzenuw. Via de longen kunnen gasvormige stoffen in het bloed opgenomen worden, en via het bloed dringt een deel van de stoffen tot het zenuwstelsel door. Er zijn gevallen beschreven, waarbij na een een- malige hoge blootstelling, bijvoorbeeld na een milieu-incident, onomkeerbare zenuwschade optrad.

De reukzenuw is een rechtstreekse verbinding tussen de neusholte en hersenen. Het enige dat de neusholte scheidt van de reukzenuw is een uiterst dun laagje reuk- epithee1cellen.

Mensen kunnen ook blootgesteld worden via voeding of drinkwater. Ook hier gaat het vaak om incidenten, waarbij mensen in korte tijd relatief grote hoeveelheden gif- stoffen binnenkrijgen.

 

Bloed-hersenbarričre

 

Alzheimer en andere vormen van demen- tie staan bekend als ouderdomsziekten. Dat wekt de schijn van onvermijdelijk- heid. Maar het is beslist niet zo, dat ieder- een die oud wordt ook dement wordt. Eerst moet er schade aan het zenuwstelsel optreden. Blootstelling aan zenuwgiffen, die de bloed-hersenbarričre passeren, kan tot schade leiden. Schade, die niet gerepa- reerd kan worden, omdat zenuwcellen zich niet kunnen vernieuwen. Bij omvang- rijke blootstelling treden duidelijke ziekte- beelden op. -Bij chronische belasting met lage concentraties gifstoffen kan er een soort sluipende schade optreden, die je zou kunnen beschrijven met de term 'ver- snelde veroudering'. Stoffen die via de neus binnenkomen en makkelijk in vet oplossen zijn waarschijnlijk het meest ris- kant. Uit het rapport blijkt dat de omvang van de bijdrage van de huidige achter- grondbelasting aan de zogenaamde ouder- domsziekten op dit moment niet valt te schatten. Het rapport pleit uit voorzorg voor strengere regelgeving.

 

 

Milieuverontreiniging en neurodegeneratieve dementie, door Chris Honselaar, Biologiewinkel, Haren, 2003.

 

Wetenschapswinkel Courant. Jaargang 5 (2003) . Nummer 12

 



[1] “Aging in Today’s Environment”, National Academy Press, Washington DC, 1987