MILIEU
– GEZONDHEID EN OUDEREN
HET RECHT OP EEN GEZONDE OUDE DAGInleidingMilieu/gezondheid – kwetsbare groepen In de maatschappelijke beleidsnota ‘Milieu en Gezondheid’ en de motie van aanbeveling die hierover werd goedgekeurd in het Vlaams Parlement in 2001 werd aangedrongen op een voorzorgsbeleid dat maximaal rekening houdt met de gezondheidsrisico’s voor de meest kwetsbare groepen in de samenleving. Ook in het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid wordt gesteld dat de Vlaamse Regering bijzondere aandacht dient te besteden aan ‘bevolkingsgroepen die in een grotere mate zijn blootgesteld aan bedreigingen van hun gezondheid’. Zo is de groep van kinderen meer kwetsbaar
voor schadelijke milieu-invloeden of voor het effect van vervuilende stoffen.
Omdat het immuunsysteem van kinderen nog onvoldoende ontwikkeld is en omdat
kinderen dikwijls meer dan volwassenen blootstaan aan vervuilende stoffen.
Vanuit de Europese Commissie en de Wereld Gezondheids Organisatie wordt daarom
al enige tijd aangedrongen op een specifiek beleid gericht op kinderen,
gezondheid en milieu (cf. bv. ‘Children’s Health and environment : a review of evidence”, Europees
Milieubureau, 2002).
Oudere mensen zijn een vergelijkbare risicogroep. Maar van doorgedreven onderzoek naar de relatie tussen milieu-effecten en gezondheidsproblemen bij ouderen was tot nu toe geen sprake. Internationaal groeit nochtans de interesse voor de relatie tussen leefmilieu en ouder worden. Het Amerikaans Milieubureau startte eind 2002 een ambitieus programma ‘The National Agenda for the Environment and the Aging’ of kortweg het ‘Aging Initiative’. (zie : http://www.epa.gov/aging/ ) Met dit initiatief wil de Amerikaanse overheid drie doelstellingen bereiken :
Milieu wordt daarbij zowel in de meer enge betekenis gehanteerd (‘milieuvervuiling’) als in een meer ruimere betekenis (de som van blootstelling aan vervuilende stoffen in het buiten- én in het binnenmilieu, de voeding, de levensstijl (met critische factoren als roken, al dan niet veel bewegen,..), stress en – van groot belang voor senioren – het al dan niet aangepast gebruik van medicatie. Ten slotte wordt ook de interactie tussen de individuele genetische constitutie en het leefmilieu meegenomen. Ecologische
basisrechten voor ouderen
Het recht op een gezonde oude dag in een gezonde leefomgeving is een ecologisch basisrecht voor alle ouderen, dat kan afgeleid worden van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Uit het bestaand federaal ‘Handvest van de Rechten van de Ouderen’ kunnen volgende principes gepuurd worden, die in deze context relevant zijn : ° het recht om de menselijke bekwaamheden volledig te ontwikkelen ° het recht op dienstverlening en bijstand met het oog op een meer zelfstandig leven ° de vrije keuze van levenswijze, zelfs in geval van verlies van zelfredzaamheid ° de solidariteit tussen de generaties ° het recht op geestelijke en fysieke gezondheid, op preventiemaatregelen, op revalidatie en op wettelijke bescherming in geval van verzorging ° het recht te leven in een omgeving zonder gevaar die in overeenstemming is met hun middelen ° het recht om zo lang mogelijk thuis te blijven, indien nodig dankzij aangepaste hulp en solidariteitsnetwerken. ° het recht op een verantwoord burgerschap en op het deelnemen aan collectieve beslissingen door aanwezigheid en werkelijke vertegenwoordiging in de bevoegde instanties. Door de aandacht voor het ecologische komt veel meer de aandacht te liggen op voorzorg en preventie en kunnen nieuwe rechten afgeleid worden :
Gezond
ouder worden
Juist voor ouderen maakt het slagen of falen van een Milieu/Gezondheidsbeleid alle verschil : het gaat immers om het verzekeren van hun levenskwaliteit ook op latere leeftijd . Het objectief is de verhoging van het aantal levensjaren dat men kan doorbrengen in goede gezondheid. Wat veel belangrijker is dan de levensverwachting in enge zin. Deze levensverwachting neemt voortdurend toe dankzij de wonderen van de medische techniek. In Vlaanderen bedraagt de levensverwachting gemiddeld 76 jaar voor mannen en 81,9 jaren voor vrouwen. Maar het percentage per leeftijdsgroep van de bevolking dat zich niet gezond voelt, stijgt van 12,8% (tussen 35 en 44 jaar) naar 41,8% (tussen 65 en 74 jaar) en zelfs tot 53,3% (vanaf 75 jaar) (VRIND, 2002). Om en bij de helft van de ouderen voelt zich dus niet goed in zijn vel… Milieu-factoren bepalen mee in welke mate
de verlengde levensduur ook een periode van levenskwaliteit zal zijn waarin
senioren actief kunnen blijven of actief
kunnen genieten van hun oude dag. In een CBGS-studie van 1998 wordt berekend dat de levensverwachting in minder goede gezondheid op basis van een reeks criteria (ADL-beperkingen, mobiliteitsbeperkingen, ziekte, mentale problemen, eenzaamheid) relatief hoog ligt, vooral bij vrouwen. Bv. op 65-jarige leeftijd lag de levensverwachting-met-dementie gemiddeld op 1,58 jaar voor vrouwen en op 0,62 jaar voor mannen. “Het beleid moet erop gericht zijn leven toe te voegen aan de jaren en niet zozeer jaren aan het leven”, besluit de auteur… (Gilbert Dooghe, Additionele Levensjaren in goede en minder goede gezondheid, CBGS Document 1998/6).
De blootstelling aan vervuilende stoffen een leven lang (accumulatie), zal juist op latere leeftijd mee leiden tot verlies aan onafhankelijkheid, chronische ziekten, overgevoeligheid voor nog eens bijkomende effecten of in fatale ontwikkelingen als astma, hartaandoeningen of kanker. Tegelijk is het een biologisch gegeven dat de weerstand van ouderen tegen toxische invloeden afneemt (bv. de afname van de immuniteitsfuncties van de thymus (zwezerik) na de middelbare leeftijd) en dat de kans op auto-immuunreacties (ontregeling van de afweermechanismen) toeneemt. Bovendien staan zeker hoogbejaarden door de geleidelijke verenging van hun leefwereld, soms meer dan mensen op meer actieve/middelbare leeftijd aanhoudend bloot aan steeds dezelfde negatieve invloeden (bv. van binnenhuisvervuiling). Net als kinderen zijn ouderen dus meer kwetsbaar en lopen ze meer risico als het over milieu-invloeden gaat.
Ouderdomskwalen
of milieukwalen?
Maar ouder worden hoeft niet noodzakelijk gepaard te gaan met chronische ziekten. De hypothese aan de grondslag van het onderzoek van de Amerikaanse Nationale Wetenschapsacademie naar milieu en gezondheid [1]bij ouderen, was juist dat “old age can occur in the absence of disease”. Veel aan veroudering toegeschreven ziekten, of ziekten die als inherent aan ouder worden, beschouwd worden, worden wellicht eerder bepaald door externe (door milieu-) factoren. Een sterke indicatie in die richting vormt het feit dat een aantal van deze ouderdomsziekten in niet-westerse landen niet (in die mate) voorkomt. Het zijn vooral ouderen die getroffen worden door de zgn. ‘beschavingsziekten’ of milieuziekten.
Doel van een volwaardig voorzorgsbeleid moet dan zijn ‘preventing environmentally induced age-associated diseases’, m.a.w. het voorkomen van kwalen die worden op gang gezet door milieufactoren en die doorgaans (maar tot op zekere hoogte wellicht ten onrechte) als ouderdomskwalen beschouwd worden. In die zin ontwikkelt zich een nieuwe tak van de studie van het ouder worden : de integratie van gerontologie en toxicologie of “ecologische gerontologie”. Milieu-factoren veroorzaken veranderingen
in het lichaam van mensen voorbij de middelbare leeftijd, die lijken op en dikwijls verward worden met vormen van natuurlijke
veroudering. Een goed voorbeeld is dat van “photo-aging”
(dermatoheliosis), de vervroegde veroudering van de huid, met symptomen als verruwing van de huid, rimpels,
vlekken, uitzetten van bloedvaten (telangiectasia), atrofie, pseudolittekens
(fibrotische depigmentatie) tot kwaadaardige neoplasia toe op gelaat, nek,
handen e.a. lichaamsdelen. “Photo-aging” en de gewone chronologische
veroudering zijn nauwelijks te onderscheiden. Met behulp van een
electronenmiscroscoop kan dit onderscheid echter wel gemaakt worden. Dat de blootstelling aan de zon de bepalende factor is voor de veroudering
van de huid, staat buiten kijf. De effecten van de toegenomen UV-straling door
de aantasting van de ozonlaag op verouderingsprocessen, is een heel apart
studiedomein. Maar ook andere milieufactoren (chemische agentia) kunnen de
vervroegde veroudering van de huid mee beďnvloeden. Het bekendste voorbeeld is
sigarettenrook. Even grote vragen zijn er bij de relatie tussen natuurlijk gehoorverlies bij het ouder worden (presbycusis) en het gehoorverlies door stelselmatige blootstelling aan lawaai (“Noice Induced Hearing Loss” of NIHL) en de wisselwerking van beide. Een
ander voorbeeld ten slotte is dat van de invloed van toxische stoffen op
het zenuwstelsel. Het Parkinson-syndroom kan bv. optreden bij arbeiders die
chronisch werden blootgesteld aan stoffen als mangaanerts of carbon disulfide
of bij personen vergiftigd met MPTP. Motorische storingen kunnen veroorzaakt
(of verergerd) worden door blootstelling aan lood;solventen, kunnen leiden tot zenuwaandoeningen, enz. In het geval van de inheemse bevolking van
Guam werd de band gelegd tussen blootstelling aan de cycadeplant en aan
aluminium en het verhoogd risico op ontwikkeling van Parkinson/dementie
(Nat.Ac, 1987). Bepaalde medicamenten, zware metalen of
industriële chemicaliën kunnen het risico op dementie aanzienlijk verhogen. In
die gevallen kan het dementeringsproces bij stopzetting van deze
blootstellingen, reversibel zijn. Gezien het zenuwstelsel bijna even gevoelig is voor invloeden van natuurlijke veroudering als voor toxische stoffen, zijn zeker oudere mensen die al lijden aan neurale stoornissen en daarboven op dikwijls een verminderde werking hebben van lever en nieren, veel gevoeliger voor neurotoxische stoffen dan jongere volwassenen. Anders
gaan leven om langer te leven
Milieu-invloeden of toxische stoffen kunnen dus in verband gebracht worden met bepaalde verouderingsprocessen, deze verergeren of vervroegd uitlokken. Er is nood aan meer diepgaand onderzoek om uit te maken in welke mate met veroudering geassocieerde ziekten zoals kanker, arteriosclerose, diabetes, osteoarthritis, osteoporosis, cataracten, optreden van doofheid, amyotrope laterale sclerose, ziekte van Parkinson, seniele dementie van het Alzheimer-type, gekoppeld zijn aan onderliggende verouderingsprocessen en/of bijkomende milieu-invloeden. Maar voor alle duidelijkheid : geen enkele vervuilende stof kan in verband gebracht worden met het optreden van alle verouderingsprocessen tegelijkertijd (er is dus geen enkel oorzakelijk verband aangetoond tussen vervuiling en veroudering als dusdanig…). De conclusie van de Amerikaanse studie is in elk geval dat chemische stoffen steeds zouden moeten onderzocht worden op hun potentieel om het verouderingsproces te beďnvloeden of ouderdomsziekten uit te lokken of te verergeren. Door in te grijpen op de leefomgeving van ouderen kan dus waarschijnlijk in belangrijke mate bijgedragen worden aan hun leefkwaliteit (minder kwalen) en zelfs aan hun levensduur. Maar wonderen moeten voorlopig niet verwacht
worden.Er is nog teveel wetenschappelijke onzekerheid over de aard en/of de
oorzaken van het verouderingsproces
zelf. In dat licht is het vooralsnog zinloos om tot een systematische
screening over te gaan van alle milieupolluenten en hun invloed op veroudering.
Er zal op korte termijn eerder moeten gewerkt worden met een beperkte groep
referentie-agentia (biomarkers) die men in verband kan trachten te brengen met
biologische merkers van veroudering. Dat is tot nu toe de Amerikaanse
aanbeveling. Daarbij komen we dus dicht in de buurt van het soort
biomonitoring-onderzoek dat inmiddels op grote schaal gebeurt in Vlaanderen. Het
volwaardig integreren van de doelgroep ouderen in de lopende
milieu-gezondheidsonderzoeken in Vlaanderen lijkt dan ook absoluut aangewezen.
ECOLOGISCHE BASISRECHTEN VOOR OUDEREN 1. HET RECHT OP ZUIVERE LUCHT – OP ONBEZORGD ADEMHALEN1.1. Luchtvervuiling : het ongewild
cynisme van het begrip ‘voortijdige sterfte’
De Wereld Gezondheidsorganisatie schat het jaarlijks aantal doden door luchtvervuiling wereldwijd op 3 miljoen mensen (drie keer meer dan het gemiddeld aantal verkeersslachtoffers per jaar in de wereld). Voor Europa wordt het aantal doden door fijne stofdeeltjes per jaar door de WGO/Europa nu officieel op 100.000 geschat (cf. World Health Report 2002 - The Lancet, 30/10/2002). De VMM berekende op basis van een vroeger Europees onderzoek in Frankrijk, Oostenrijk en Zwitserland (The Lancet, 2000) het aantal doden per jaar door luchtvervuiling in ons land op een goede 6.000, waarvan 3000 te wijten aan vervuiling door het verkeer ( vs. een gemiddelde van 1300 verkeersdoden in België per jaar). Bij de genoemde slachtoffers gaat het bijna steeds om senioren. Hoewel niemand dit openlijk zal toegeven, wordt daar dikwijls cynischerwijze bij gedacht : OK, maar het gaat dan wel om mensen die sowieso al ziekelijk waren en niet lang meer te leven hadden. De term die onderzoekers in dit verband gebruiken ‘voortijdige of vroegtijdige sterfte’ kan aanleiding geven tot een dergelijke misplaatste interpretatie. In feite bedoelen de wetenschappers hiermee ‘vermijdbare sterfte’, overlijdens die hadden kunnen vermeden worden. Dus niet mensen die enkele weken of maanden langer hadden kunnen leven, maar mensen die in het beste geval nog vele goede jaren voor zich hadden. De analyse van de hittegolf/ozonpieken in
het ozon-rampjaar 1994 in België maakt dit duidelijk. In dat jaar werd er door het IHE een ‘voortijdige of
vermijdbare sterfte’ van 1226 mensen
vastgesteld te wijten aan een combinatie van zomersmog en hittegolf. 80,8% van
de slachtoffers was ouder dan 65 jaar. Hoe kwam men tot dat getal van 1226 ? In de feiten ging het om een ‘oversterfte’
(meer sterfgevallen dan gebruikelijk in die periode van het jaar) tijdens de hittegolf (27/6 tot 7/8/1994) van
236 mensen beneden de 65 en 1168 mensen boven de 65. Daarnaast werd een
‘ondersterfte’ vastgesteld van 178
mensen in de periode van 8/8 tot 15/9/199,
vlak na de hittegolf. Het gaat dus om 178 mensen die enkele weken
vroeger bezweken dan kon verwacht worden. Enkel deze laatste groep kan men
bestempelen als niet-vermijdbare sterfgevallen, mensen die zo zwak waren dat ze
toch niet lang meer te leven hadden en waarbij de
externe factoren (hitte – ozon) enkel een laatste stootje gegeven hebben. Alle andere sterfgevallen waren dus wel vermijdbaar : 1226 mensen in totaal, 990 mensen boven de 65 die omgekomen zijn door hitte en ozon, en dat op één maand tijd! (cf. IHE/Ircel, Oversterfte verbonden aan
het voorkomen van een warmtegolf en fotochemische luchtverontreiniging tijdens
de zomer van 1994, april 1995). Ouderen zijn dus veruit de meest kwetsbare groep voor gezondheidsproblemen die samenhangen met luchtvervuiling (bv. ozon of fijne stofdeeltjes). Het gaat met name om een fors hoger risico op voortijdige sterfte aan longkanker, astma, longontsteking, emfyseem, chronische bronchitis, hartaanvallen en beroertes.
Vooral ouderen die kampen met aandoeningen aan de luchtwegen (vormen van astma) of mensen met hart- en vaataandoeningen zijn extra kwetsbaar. Dat blijkt uit het aantal ziekenhuisopnames na opstoten van luchtvervuiling. De hittegolf en ozonpieken van 2003 zorgden voor een vervroegd overlijden van maar liefst 1300 (oudere) mensen. Eerst had men nochtans beweerd dat er geen dodelijke slachtoffers waren gevallen in Vlaanderen (in tegenstelling tot de 11.000 doden in Frankrijk). In september 2003 sprak men zelfs van minder zomerdoden dan normaal. Experten waarschuwden toen al dat dit geen steek hield. In februari 2004 raakten de officiële cijfers bekend : het ging om 1300 extra overlijdens. Intussen is door de federale overheid een noodplan voor hittegolven goedgekeurd, maar ook hier hebben experten veel vragen bij (zie : http://www.health.fgov.be/AGP/Canicule/NL/planactionnl.pdf). Zie : bijlage 2 : VMM : Milieuverontreiniging kost
Vlaming gemiddeld 5 gezonde levensmaanden, ------------------------------ Zie bijlage 3 : Persartikels over impact hittegolf
2003 1.2. Luchtvervuiling en hartproblemen Vooral de directe band tussen kleine deeltjes-vervuiling en hartaandoeningen is zorgwekkend. Naar schatting 1/4de van de ouderen heeft hartproblemen. Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt dat pieken van luchtvervuiling het aantal fatale hart- en bloedvaataandoeningen op korte termijn doen toenemen. Vooral het ultrafijne zwevende stof afkomstig van verkeer speelt een nefaste rol. Tot nog toe werd aangenomen dat stof dat in de longblaasjes terecht komt, niet of zeer traag in het bloed geraakt. Bij een experiment waarbij 5 gezonde proefpersonen koolstofdeeltjes kleiner dan 0,1 micron inademden, stelden de KUL - professoren Ben Nemery en Peter Hoet echter vast deze al na één minuut in het bloed terechtkomen. Dit laatste zou dan ook het geval zijn voor het ultrafijne stof dat sterk lijkt op deze koolstofdeeltjes (cf. UZ Gezondheidsbrief, augustus 2002). De luchtpollutie zou de stolling en taaiheid van het bloed bevorderen, wat zou bijdragen tot de vorming van bloedklonters en de algemene belasting zeker voor hartlijders zou doen toenemen. Conclusie van de onderzoekers : de overheid moet bij luchtvervuiling niet enkel mensen met ernstige ademhalingsproblemen waarschuwen, maar zeker ook al wie lijdt aan ernstige hart- en vaataandoeningen. De cijfers die de onderzoekers aanhalen liegen er niet om : voor elke toename van de kleine stofdeeltjes (PM 10) met 10 µg/m3 op korte termijn, zou het aantal overlijdens stijgen met 1%, het aantal fatale aandoeningen van hart- en bloedvaten met 1,5 %, het aantal ziekenhuisopnames met 2,5% en het aantal fatale luchtwegaandoeningen met 3,5%. Boston-studie : direct verband met risico
op hartaanval Het effect van kleine stofdeeltjes op
hartaanvallen werd bevestigd in een
wetenschappelijke studie verricht te Boston waar onderzoekers de medische
geschiedenis natrokken van 722 mensen die recent in een ziekenhuis te Boston
waren opgenomen omwille van
hartaanvallen. Tegelijk werden de concentraties aan polluenten gemeten
op verschillende plaatsten en tijdstippen in Boston (zo bv. voor PM 2,5
– ozon – CO – SO2 en NOX). Uit de analyse bleek dat de
deelnemers aan het onderzoek een 50% toename van risico op een hartaanval
hadden in de twee uren volgend op een blootstelling aan hoge niveaus van fijne
stofdeeltjes. (Circulation, 12 juni 2002). Zie ook : EHP, Environmental Cardiology : Getting to the Heart of the
Matter, november 2004 : http://ehp.niehs.nih.gov/members/2004/112-15/focus.html -------------------------------
2.1. Een gezond en veilig milieu ook bij
de mensen thuis BinnenhuisvervuilingDe meeste mensen brengen 70% of meer van hun tijd binnenshuis door, en een groot deel daarvan binnen de eigen woning. Het Amerikaans Milieubureau (EPA) rangschikt de binnenhuisvervuiling bij de top vijf van gezondheidsrisico’s. De slechte kwaliteit van het binnenhuismilieu is een belangrijke factor in het ontstaan van aandoeningen zoals astma, allergieën, chronische vermoeidheid, verhoogde gevoeligheid voor chemische producten, enz. Oorzaken zijn chemische stoffen zoals oplosmiddelen, insecticiden, formaldehyde, gassen (bv. CO, sigarettenrook, benzeen), zware metalen , asbest,.. Maar ook biologische vervuilers (schimmels, bacteriën,..), straling, enz. En opnieuw : oudere mensen brengen het meest thuis binnenshuis door. Sociaal zwakkere ouderen slijten dikwijls hun dagen in minder gezonde woningen en staan het meest bloot aan vormen van binnenhuisvervuiling. Maar ook meer welgestelde ouderen in betere woningen kunnen toch overgevoelig blijken voor vormen van niet-aflatende blootstelling aan bepaalde producten, uitwasemingen, schimmels of stralingen. Ouderen hebben het recht om zo lang mogelijk thuis te blijven wonen, in hun vertrouwde omgeving. Maar dan kan een minimale begeleiding van mensen aan huis, ook wat de kwaliteit van het woon-milieu betreft, een grote hulp zijn. In opvolging van de aanbevelingen van de Commissie Milieu/Gezondheid die in het Vlaams Parlement vorig jaar unaniem werden goedgekeurd, willen we dat er verder werk gemaakt wordt van een structurele aanpak van de milieu- en gezondheidsproblemen binnenshuis. Het recht op gezonde lucht ook binnen woningen en gebouwen is een ecologisch basisrecht. Wie bouwt, verbouwt of woningen onderhoudt, is verantwoordelijk voor het binnenmilieu en eventuele gezondheidseffecten. Vanuit de huisvestingsadministratie verwachten we een ‘code van goede praktijk’ voor duurzaam en gezond bouwen. In diverse landen, ook in de beide andere gewesten in België wordt met succes de formule toegepast van milieu-onderzoeken aan huis. In het buitenland bestaan er al verschillende plaatsen milieu-ambulante diensten (“ambulances vertes”) die bij gezondheidsklachten aan huis komen om de vervuilingsbron op te sporen en aan te pakken. Ook in Vlaanderen is een dergelijke structurele aan pak nodig : via de LOGO’s en andere eerstelijnswerkers en via de Vlaamse Gezondheidsinspectie. Zelfs t.a.v. het meest bekende probleem van binnenhuisvervuiling, dat van de CO-intoxicatie, gebeurt dit nu onvoldoende. Een milieu-inspectie aan huis moet een basisrecht worden bij ernstige gezondheidsproblemen. Via gemeenten, huisvestingsdiensten, huisartsen of andere gezondheidswerkers, kan een milieu-huisbezoek aangevraagd worden. Als bij mensen thuis inderdaad een vervuiling wordt vastgesteld die slecht is voor hun gezondheid, moet er ook werk gemaakt wordt van oplossingen. Dit kan via het instellen van een premie voor het aanpassen van woningen omwille van problemen met een ongezond binnenmilieu. In eerste instantie denken we aan woningen van de lagere inkomensklassen, waar zich ook de grootste problemen situeren. Voor meer info : binnenhuisvervuiling : zie brochure “Wonen En Gezondheid” van de Vlaamse Administratie Gezondheidszorg : http://www.wvc.vlaanderen.be/gezondmilieu/index.htm ) Preventie van letsels door ongevallen thuisVallen in de thuisomgeving komt vaak voor op hogere leeftijd. Ongeveer één derde van alle 65-plussers rapporteert minstens één val per jaar. Het aantal valpartijen neemt toe met de leeftijd. Ouderen vallen makkelijker en de gevolgen van een val zijn ernstiger. De oorzaak van het hoog aantal valpartijen heeft te maken met de slechtere fysieke conditie van ouderen (slechter te been). Maar ook een reeks externe oorzaken kunnen onderscheiden worden : gevaarlijke trappen, hoge drempels, onvoldoende verlichting, afwezigheid van slipmatjes, enz. Welzijns- of gezondheidswerkers die bij mensen aan huis komen zouden aan de hand van een checklist effectief aandacht moeten besteden aan valpreventie (cf. WVVH-taakgroep preventie, Preventie van letsels tengevolge van vallen bij 65-plussers, 2001). Het doorbreken van het sociaal isolement van ouderen is van cruciaal belang. Ook de Wereld Gezondheidsorganisatie legt in die zin de nadruk op de kwaliteit van de fysieke en de sociale milieu van ouderen (‘Active Ageing : A Policy Framework’, 2002). 2.2.
Extreme temperaturen als risico Het risico om te sterven door extreme temperaturen (hyperthermie – hitte) of hypothermie (onderkoeling) is in de VS voor ouderen van de leeftijdsgroep 65-75 jaar dubbel zo groot als voor mensen van middelbare leeftijd (leeftijdsgroep 45-55 jaar). Boven de 85 wordt het risico zes keer zo hoog… (cf. Nat. AC., workshop 6/12) Het wraakroepende is dat het hier meestal om vermijdbare sterfgevallen gaat. In feite is niet het weer de oorzaak van deze overlijdens, maar de sociale isolatie van deze mensen. Dat heeft ook te maken met fouten in het gebouwde milieu en de sociale infrastructuur. Woont men in een omgeving/wijk/architectuur die uitnodigt tot contact of die isolement juist uitlokt? En op welke informele, buurt- of welzijnsnetwerken kan men terugvallen? Volgens de Vlaamse Gezondheidsindicatoren 2002 beschikken 19,1% van de hoogbejaarden over een beperkt sociaal netwerk (max. 3 personen), 7,4% heeft minder dan één keer per maand contact met derden… In extreme (klimatologische) omstandigheden kan dit fataal worden. OnderkoelingDat geldt zeker voor de gevallen van hypothermie : oudere mensen die de thermostaat lager zetten om te besparen op verwarmingskosten en daardoor het risico lopen van onderkoeling. Vooral ouderen die niet behoorlijk eten, teveel medicatie nemen, alcohol drinken of symptomen vertonen als arthritis, Alzheimer, Parkinson of beroerten, lopen een groot risico. HitteHet tegengesteld probleem is dat van ‘hittestress’ tijdens hittegolven of andere aanhoudende warmteperiodes. Een gebrek aan aangepaste air conditioning of ventilatie tout court, onaangepast eten en drinken, kunnen evenzeer fataal worden en leiden tot hyperthermie, uitdroging. Als het heet wordt, wordt het bloed dikker. Ouderen met hart- en vaataandoeningenn lopen dan een hoog bijkomend risico. Maar uit onderzoek aan de Nederlandse Erasmusuniversiteit is gebleken dat ouderen met neurologische kwalen (Alzheimer, Parkinson of Korsakov-syndroom) de grootste risicogroep zijn omdat zij hun gedrag niet aanpassen (dunnere kleren aantrekken, meer drinken, bij een ventilator gaan zitten,..) (Mackenbach, 1997). De kans dat periodes van overmatige hitte zich meer zullen voordoen in de toekomst is – gezien het algemeen klimaatprobleem - bijzonder groot, net als de kans dat de problemen nog acuter zullen worden door de interactie met vormen van luchtvervuiling (cf. Climate Change and Human Health, WHO, 1996). De Wereld Gezondheids Organisatie dringt dan ook aan op de instelling van “weather/watch warning systems” . Wat veel meer dient in te houden dan een waarschuwing op TV bij het weerbericht voor ozonpieken of een hoge UV-index de dag daarop. In feite is er nood aan aangepaste noodprogramma’s telkens dagen of perioden met extreme weersomstandigheden aangekondigd worden. Informatieverstrekking via de media moet minstens een soort van ‘health alert’ inhouden gevolgd door concrete aanbevelingen gericht op de meest kwetsbare groepen (i.c. hoogbejaarden) hoe men in eigen huis dient om te gaan met de aangekondigde extreme temperaturen. Tegelijk dient werk gemaakt te worden van de (preventieve) inschakeling van gezondheids- en hulpdiensten en een bijzondere waakzaamheid t.a.v. alle soorten openbare nutsverplichtingen (garanties op voldoende water, electriciteit, brandstof,..) http://www.euro.who.int/document/E82629.pdf Alertheid vooraf van gezondheids- en welzijnswerkers t.a.v. deze problemen is absoluut nodig : wat inhoudt dat ze ook voldoende bij mensen aan huis moeten komen. Het doorbreken van sociaal isolement is de hoofdvoorwaarde, meer buurtbetrokkenheid, maar ook voldoende zicht op de leefkwaliteit binnenin woningen, is noodzakelijk ten slotte moet er ook op deskundige wijze hulp kunnen geboden worden als er zware problemen vastgesteld worden : inzake isolatie en verwarming enerzijds, of air conditioning, ventilatie anderzijds. De oversterfte deze zomer in Frankrijk, toont aan hoe groot de gevolgen kunnen zijn van een falend beleid terzake. In aanvulling op het federaal noodplan werkte de Vlaamse overheid preventietips uit (zie : http://www.wvc.vlaanderen.be/eerstelijnsgezondheidszorg/hittegolf/preventietips.htm) Of dit volstaat, is niet zeker. 2.3.UV-straling – de aftakeling van de huid en de ogen HuidAls je de huid die voortdurend blootgesteld is aan de zon vergelijkt met meer beschermde huidzones, dan blijkt overduidelijk dat blootstelling aan de zon en aan UV-stralen, de bepalende factor is voor de veroudering en de mogelijke aantasting van de huid. Vandaar het onderscheid tussen intrinsieke of natuurlijke veroudering van de huid en veroudering door zonlicht (photo-aging). 90% van hinderlijke vormen van veroudering van de huid, zijn toe te schrijven aan ‘photo-aging’ eerder dan aan natuurlijke veroudering. Door overmatige blootstelling aan zonlicht in de eerste levensfasen, wordt het risico op huidziekte of kanker op oudere leeftijd fors verhoogd. Ouderen zijn daardoor ook bijzonder kwetsbaar op bijkomende schade door overmatige blootstelling aan de zon. Maar veel ouderen beseffen dit onvoldoende en beschermen zich te weinig, of op de verkeerde manier. Het risico op huidkanker en meer inz. het kwaadaardige melanoom is de voorbije decennia met een factor 20 toegenomen. Dat heeft vooral te maken met andere recreatiegewoonten (overmatig zonnebaden, bv. in zonnige vakantie-oorden tijdens een wintervakantie), maar ook met de verdunning van de ozonlaag waardoor de remming van de schadelijke UV-straling is afgenomen. Mannen boven de 50 jaar lopen het hoogste risico op de ontwikkeling van een melanoom. In de VS zijn ze goed voor meer dan de helft van de 7400 melanoomdoden per jaar. Factoren die het risico op huidkanker op oudere leeftijd in de hand werken : ° de cumulatieve blootstelling aan UV-straling gedurende de hele levensloop ° verminderde immuniteit (kleiner aantal Langerhalscellen in het epidermis – verminderde T-cel-functie in het algemeen, ook in de huid) ° kleiner aantal pigmentcellen om een barričre op te werpen tegen UV-stralen ° ontregeling van de keratinocyte proliferatie (wat leidt tot het ontstaan van kankercellen) ° afname van de DNA-herstel-functie Waarschuwingscampagnes specifiek gericht op ouderen, zijn nodig. De overheid zou overigens voor heel de bevolking meer de nadruk moeten leggen op de noodzaak van beschermingsmaatregelen tegen de zon en schadelijke UV-stralen. Bedrieglijke reclame voor zgn. zonneblokkers zou moeten tegengesproken worden. Voor risicogroepen kunnen bepaalde beschermende producten wellicht ook gesubsidieerd worden. In elk geval is er nood aan een ruime infocampagne rond de betekenis van de UV-index en de wijze waarop dient te worden omgesprongen met zonnecrčmes en bescherminsgfactoren. Cf. o.m. de wetenschappelijke bevindingen
en aanbevelingen van het Steunpunt Milieu en Gezondheid (‘Gezondheidseffecten van zonnecrčmes’). 0gen Met het ouder worden raken oogweefsels meer aangetast. Oudere mensen zien minder goed of kunnen zelfs blind worden. Voorbij de 65 krijgt 6% van de ouderen ernstige gezichtsproblemen, voorbij de 85 gaat het om 46%. Toch zijn er redenen om aan te nemen dat cataract en glaucoom misschien niet noodzakelijk natuurlijke ouderdomsverschijnselen zijn, maar dat ze minstens gedeeltelijk bepaald worden door externe factoren ((Nat.Ac, Workshop 5/12/2002). Cataract (vertroebeling van de ooglens) komt meer voor op hooggelegen plaatsen, waar er meer UV-straling is (bv. bijzonder veel gevallen in Nepal en Tibet). Regionale verschillen zijn duidelijk : er zijn meer gevallen van cataract in India bv. dan in de VS. Diabetespatiënten lopen een veel hoger risico op het ontwikkelen van een cataract. Omdat diabetes na verloop van tijd de doorbloeding van het netvlies aantast. Glaucoom is de aantasting van de oogzenuw door
verhoogde oogdruk. Externe risicofactoren voor (chronisch open hoek) glaucoom
zijn eveneens diabetes, maar ook
arteriële hyper- of hypotensie, migraine of andere algemene vaatziekten.
Secundair glaucoom kan ontstaan door het innemen van medicatie
(cortisonen). Ook een tekort aan
vitamine C zou de aftakeling van het netvlies in de hand werken, wat in
principe dus ook voorkomen zou kunnen worden… Het dragen van een zonnebril bij hoge UV-index is voor veel ouderen geen overbodig luxe. Ook hier zou de overheid bewuster kunnen op inspelen. 3. RECHT OP CHEMISCHE HYGIENE Ouderen meer
gevoelig Veel milieu-,
product en veiligheidsnormen zijn
afgestemd op volwassen (blanke) mannen van 25 tot 45 jaar. Terecht is daar een
sterke reactie tegen gekomen vanuit groepen die opkwamen voor de bescherming
van kwetsbare groepen als kinderen. Met een extra veiligheidsfactor kan de
hogere gevoeligheid van kinderen ingerekend worden. Kinderen hebben immers nog
onvoldoende weerstand opgebouwd en staan dikwijls meer bloot aan bepaalde
vervuilende stoffen dan volwassenen. Eenzelfde redenering geldt echter ook voor
ouderen : zij hebben juist een stuk weerstand verloren en staan door hun manier
van leven dikwijls ook meer bloot aan
bepaalde invloeden. De milieu- en
gezondheidsnormen moeten worden afgestemd op het welzijn van de meest kwetsbare
groepen zoals de (oudere) ouderen. Als de normen voor kinderen en ouderen
veilig zijn, vormen ze voor iedereen de beste bescherming. Dit is minder
evident dan het lijkt : want als we de groep van oudere senioren analyseren,
blijkt dat er reeds grote subgroepen bestaan van mensen met overgevoeligheden.
Bv. de groeiende groep van mensen met
hartklachten, met longziekten, astma en allergieën, mensen met reuma,
mensen met MSC (‘multiple chemical sensibility’, of overgevoeligheid voor
verschillende chemische producten), mensen met chronische ziekten (bv. CVS),
enz. Een tikkende
tijdbom uit de kinderjaren? De laatste tijd
is er bij wetenschappers ook steeds meer aandacht voor prenatale blootstelling
aan kankerverwekkende en/of hormoonverstorende stoffen. Vervuiling dus via de
navelstreng in de baarmoeder. Blootstelling aan bijzonder kleine doses
vervuilende stoffen zouden vóór de geboorte toch verregaande gevolgen hebben,
als ze zich bv. voordoen op een kritisch moment van de foetale
ontwikkeling. Ook dit is voor
ouderen van groot belang. Want de effecten van prenatale blootstelling zouden
pas op latere leeftijd tot uiting komen.
Je betaalt dus pas het gelag op oudere leeftijd. Zo wordt de band gelegd
tussen blootstelling aan een reeks chloorpesticiden, hexachloorbenzeen of
bisphenol A en de toename van borst- en prostaatkanker in veel westerse landen.
Ook in eigen land blijft men zoeken naar de oorzaak van de hoge incidentie van
borst- en prostaatkankers.. De enige echt
veilige oplossing is natuurlijk het bannen van stoffen waarvan bewezen is of
waarvan sterk vermoed wordt dat ze schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorzorg en
voorlichting Een volwaardig
inclusief gezondheids- en productbeleid betekent dat maximaal met het welzijn
van alle subgroepen rekening gehouden wordt. Uiteraard zal men
daarbij op grenzen stuiten. Voor sommige groepen kan men hun recht op
integratie enkel waarborgen door te voorzien in een beschermd, gedeeltelijk
afgeschermd milieu. Ouderen met overgevoeligheid voor bepaalde stoffen
isoleren, is een noodoplossing, waar niet te snel mag worden voor gekozen. Bij
residentiële opvang van ouderen, moet er in elk geval bijzondere aandacht zijn
voor chemische sensitiviteit bij veel ouderen. Dit kan door bv. behoedzaam om
te springen met chemische middelen in onderhoud of inrichting van homes. Uiteindelijk zijn
veel mensen met overgevoeligheden of chronische aandoeningen, juist het
slachtoffer van in de loop der levensjaren opgelopen ‘milieuziekten’. Zij
hebben dan ook recht op een vorm van erkenning of ‘rechts-herstel’. De
samenleving die de kwaliteit van leven voor heel wat mensen door lakse regels
heeft aangetast, zal nu zelf haar kwaliteitsnormen moeten aanpassen aan hen die
al schade opliepen. Dit is geen
vrijblijvende bepaling. In het federaal Richtplan Producten en de Europese
doorlichting in het kader van het Witboek Chemicaliën zou dit concreet vorm
kunnen krijgen. Naar de ouderen
toe is het van belang dat er een sluitend voorlichtingsbeleid komt. Alle
mensen, en zeker oudere mensen die extra gevoelig zijn, hebben het recht te
weten wat de juiste kwaliteit is van producten, welke de risico’s zijn voor
meer gevoelige groepen, hoe men veilig kan omgaan met producten. De producent
kan zich niet blijven wegsteken achter fabricatiegeheimen. De producent is ook
steeds aansprakelijk. Veel meer dan nu het geval is moeten alle producten die
enig gezondheidsrisico inhouden, vergezeld gaan van een gezondheids-bijsluiter.
Verhaal van consumenten moet steeds mogelijk zijn.
4. RECHT OP EEN ZUIVERE BODEM Bodemvervvuiling één van de oorzaken van
Osteoporose Veel gepensioneerden koesteren hun eigen stukje grond, liefhebberen in tuinieren, telen eigen groenten. Maar niet alle grond is even proper. Het is bekend dat zware metalen een extra bedreiging inhouden voor kinderen (bv. lood in Hoboken). Maar ook ouderen zijn weer extra gevoelig voor zware metalen. En zij dragen dikwijls reeds een hele vracht mee in hun lichaam. O.a. werd reeds meermaals de band gelegd tussen de vervuiling met zware metalen en osteoporose (botontkalking of het brozen worden van de botten) bij oudere mensen. De vermindering van de botmassa wordt dikwijls gezien als één van dé symptomen van het ouder worden. Botontkalking treft één op de drie vrouwen na de menopauze. Maar ook één op de 8 mannen. Verschillende externe factoren spelen een rol. De hoofdoorzaak ligt in de voeding : een tekort aan calcium-inname via zuivelproducten. Andere factoren : gebrek aan beweging (een te sedentair leven), hormonale factoren (een (vroegtijdige) menopauze, operatief verwijderen van de eierstokken), misbruik van slaapmiddelen (benzodiazepines en geneesmiddelen met cortisone), roken, alcohol, enz. Ook overmatig gebruik van cafeďne zou de botmineraaldichtheid negatief beďnvloeden. Mogelijke remedies : een aangepast ‘beender’-vriendelijk diëet, supplementaire inname van calcium en vitamine D1, minder koffie drinken, .. Een oestrogeenbehandeling na het wegnemen van de eierstokken bij vrouwen lijkt aangewezen. Of een substitutiehor-monenbehandeling voor alle vrouwen bij de menopauze en goed idee is, is minder zeker, omdat een degelijke hormonenbehandeling dan weer het risico op borstkanker zou verhogen (cf. Bulletin V/A Vl.Parl., 18-10-2002, p. 390 e.v.).
Maar ook milieufactoren (in de enge zin) zoals zware metalen (bv. lood) of een teveel aan fluor kunnen leiden tot botontkalking en brozere botten. In een studie van prof. Jan Staessens van de KUL (vervolgonderzoek PheeCad, 1999) werd vastgesteld dat het risico op botbreuken (arm-, rib- en heupfracturen) in door cadmium vervuilende gemeenten in de Noorderkempen 30 tot 40% hoger ligt dan in de referentiegemeente Hechtel-Eksel. Vooral oudere vrouwen vormen een bijzondere risicogroep. In de vroegere Cadmibel-studie was reeds vastgesteld dat de cadmiumbelasting bij mensen uit de vervuilde regio gemiddeld 30% hoger lag. Men wist ook al dat er band was tussen de hogere cadmiumbelasting en een verminderde nierwerking enerzijds, maar ook een verlies aan calcium anderzijds. Het lijkt wenselijk het risico op botontkalking in gebieden met veel vervuiling door zware metalen (bv. Moretusburg – Hoboken), nader te onderzoeken. Een correcte voorlichting van de bevolking omtrent de risico’s in de vervuilde gebieden (bv. een waarschuwingsbrochure om geen zelf geteelde groenten te eten) is beschikbaar, maar volstaat niet. Uiteraard moet werk gemaakt worden van de sanering zelf van deze vervuilde gronden. Conform een aanbeveling van de deskundigengroep van de Europese Commissie (‘Report on Osteoporosis in the EC – Action for Prevention’) zouden voor risicogroepen, dus o.m. de bewoners van de sterk met zware metalen vervuilde gebieden, kosteloos botdensiteitsmetingen moeten beschikbaar zijn. Het stimuleren van de inname van zuivel zeker
bij ouderen, moet in het verlengde van de initiatieven van het NICE (Nutrition
Information Center) nog meer aandacht krijgen in de massamedia. Zestigplussers
hebben volgens dit Centrum nood aan 1200 mg calcium per dag (4 glazen melk),
dus meer dan kinderen en volwassenen, evenveel als zwangere vrouwen… Gezien
ouderen ook de grootste risicogroep voor fracturen vormen, zouden calcium- en
vitamine D-tabletten tegen minimale tarieven ter beschikking staan…
Oudere mensen staan het meest bloot aan vervuilende stoffen via de voeding. Voeding is dan ook de belangrijkste milieufactor die in rekening moet gebracht worden bij het onderzoek van chemische toxiciteit en ouder worden. Voedingsgewoonten hebben grote invloed op effecten die geassocieerd worden met ouder worden. Sommige verkeerde voedingswijzen zijn zelfs de échte oorzaak van bepaalde verouderingsverschijnselen. Klassiek denkt men eerst aan de residu’s van chemische stoffen in voeding of drinkwater. Denk maar aan pesticidenresten, PCB’s of dioxines, zware metalen of bepaalde additieven. Ouderen zijn bijzonder kwetsbaar voor deze chemische resten, omdat het gaat om een belasting die komt boven op een levenslang geaccumuleerde belasting.Elke extra verhoging van de ‘body burden’ kan fataal zijn. Vandaar dat zeker naar ouderen toe de redenering van een aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) tweeslachtig is : natuurlijk is het risico voor hen op de ontwikkeling van ziekte op veel latere leeftijd relatief kleiner. Maar daartegenover staat de reeds opgebouwde gifvracht uit het verleden (daterend van periodes waarin de normering dikwijls veel minder strikt was). Waar milieucontaminanten in voeding (bv. dioxines) gemeten worden in picograms (miljardste van een gram), worden biologische ingrediënten van het diëet gemeten in milligram of zelfs gram, terwijl deze soms veel directer schadelijk kunnen zijn. Een tekort aan bepaalde nutriënten kan leiden tot deficiëntie-syndromen, een teveel van bepaalde (soms dezelfde) componenten kan anderzijds zelfs leiden tot giftigheid. Bepaalde nutriënten kunnen dan weer een bijdrage leveren tot detoxificatie. Zo kan eiwitkwaliteit en methionine-inhoud leiden tot ontgifting van sommige pesticidenresten. Slechte voedingsgewoonten kunnen zoals bekend bijdragen tot het ontstaan van ziekten als kanker, hart- en vaataandoeningen, galstenen, appendicitis, obesitas, spataders, hiatus hernia, .. Dit bleek afdoende bij overschakeling door veel mensen van een doorgaans niet-westers naar een westers dieet of vv. Epidemiologische studies toonden verbanden aan, zoals bv. tussen cholesterol en hart- en vaataandoeningen. Ook in dierexperimenten werden telkens weer verbanden gelegd tussen voeding en chronische ziekten. Gezien de lange voorgeschiedenis van dergelijke studies, is het verbazend dat men nog weinig inzicht heeft in de mechanismen waardoor voeding chronische ziekten en veroudering beďnvloedt. Dit heeft alles te maken met de complexiteit van het menselijk voedingspatroon. Ook de rol van macronutriënten (bv. eiwitten, vetten) of micronutriënten (mineralen – vitamines) bij het ontstaan van kanker, is nog geenszins uitgeklaard. Vast staat wel dat een algehele vermindering van de inname van teveel calorieën steeds een gunstig effect heeft. Toch kan men inmiddels wel de positieve of negatieve invloeden van nutriënten, additieven en contaminanten beschrijven op bepaalde ouderdomsziekten of verouderingsverschijnselen. Dieet-aanbevelingen zouden veel meer doelgroep-gericht moeten zijn : in plaats van te mikken op het grote publiek, zou men aangepaste aanbevelingen kunnen verstrekken i.v.m. voeding en aangepaste diëten aan de groep van gezonde ouderen, maar rekening houdend met de risico’s die zij lopen. Een goed voorbeeld is de nood aan calcium-inname (drinken van meer melk) met het oog op het tegengaan van osteoporose. Ten slotte is het ook nodig ouderen voldoende in te lichten over de waarde of onwaarde van de vele wonder-diëten of voedingssupplementen die gepromoot worden om veroudering tegen te gaan. Een minimum aan objectiviteit dient verzekerd te worden. In elk geval moeten ouderen beschermd worden tegen het (commercieel of zelfs met goede bedoelingen)opdringen van éénzijdige diëten die hun gezondheid meer kwaad dan goed doen. Anderzijds moet de overheid ook met open geest de discussie aangaan met vertegenwoordigers van ‘alternatieve geneeswijzen’, zelfs als deze uitgaan van (nog) niet bewezen premissen. In de mate dat deze de nadruk leggen op een gezonde levensstijl en evenwichtige voeding, kunnen ze alleen maar bijdragen aan een betere gezondheid van de senioren. Ouderen vatbaarder voor ‘biologische vervuiling’In het Amrikaans programma rond ouderen, gezondheid en milieu heeft men bewust ook een hoofdstuk opgenomen i.v.m. de toenemende dreiging die uitgaat van bacteriën als Escherichia coli en cryptosporidium. Door het overmatig gebruik van antibiotica kunnen deze ziektekiemen zich nu snel ontwikkelen. Ouderen hebben veel minder weerstand tegen deze bacteriën. Bij de slachtoffers van ziekenhuisinfecties door antibiotica-rersistentie worden ook vooral ouderen geteld. Vooral inzake salmonella-besmettingen heeft België een trieste reputatie. In 1998 ging het om 13.853 besmettingen (tegenover 2.266 in Nederland) of maar liefst 135,7 besmettingen per 100.000 inwoners (het hoogste aantal van alle 15 oude EU-lidstaten). Ook voor
salmonella zijn ouderen de belangrijkste risico-groep.
Parallel met de incidentie van chronische ziekten bij ouderen verloopt ook het gebruik van medicamenten door oudere mensen. In de VS neemt 70% van de ouderen één of andere vorm van medicatie en wordt 25% van alle medicamenten ingenomen door 65-plussers (die slechts 12% van de bevolking vertegenwoordigen). Ouderen lopen bovendien meer het risico om een averechtse reactie te ontwikkelen op geneesmiddelen, door het veelvoud aan ouderdomskwalen die ze vertonen of door de aanwezigheid van geaccumuleerde polluenten in hun lichaam. Er is nood aan meer leeftijdsgebonden onderzoek naar pharmacodynamische effecten (de biochemische en fysiologische effecten van geneesmiddelen) en pharmakinetische effecten (effecten in het lichaam m.b.t. absorptie, distributie, vertering en verwijdering) van geneesmiddelen. Ouderen zijn bv. meer gevoelig voor de deprimerende effecten van neuroactieve medicatie als diazepam. Maar de gevoeligheid van het hart voor stoffen als isoproterenol of propranolol neemt af met de leeftijd. Zeker de interactie tussen de ‘body burden’ aan chemische stoffen (geaccumuleerde polluenten e.a.) en quasi permanente medicatie dient in rekening gebracht te worden. Een probleem dat bijzondere aandacht vergt is dat van het overmatig of verkeerd gebruik van medicatie, zeker door alleenstaande ouderen. Meer voorlichting en begeleiding zijn nodig. Ook dit heeft veel te maken met het onderliggend probleem van het te groot sociaal isolement van veel ouderen. 7. RECHT OP LEEF-RUIMTE EN HET RECHT OM ZICH VRIJELIJK TE VERPLAATSEN Op grote delen van het openbaar domein is in onze moderne samenleving beslag gelegd voor verkeer en economische activiteiten. Terwijl de groep van “niet-(economisch)-actieven” (naast kinderen, ook veel ouderen) juist nood heeft aan meer open ruimte om zich te ontspannen, om tot rust te komen, om te zitten, te wandelen, te sporten. In studies is ook al de band gelegd tussen goede gezondheid en voldoende groene/natuur in de onmiddellijke leefomgeving. Om fit te blijven hebben ouderen ook nood aan
voldoende ruimte om te bewegen. Het zich regelmatig verplaatsten te voet of met
de fiets is een belangrijke factor voor ouderen om in conditie te blijven en
ouderdomskwalen tegen te gaan. Maar dan moet het openbaar domein daartoe ook
uitnodigen (cf. ‘A
Physically active life through everyday transport – with a special focus on
children and older people’, WHO, 2002). Spijtig genoeg lopen ouderen een bijzonder hoog risico op verwondingen of zelfs voortijdig overlijden in het steeds drukker wordende verkeer. Het aantal oudere verkeersslachtoffers blijft in Vlaanderen veel te hoog. Ook hier is er een parallel met de andere kwetsbare groep, die van de jongeren. En net als voor kinderen, dreigen ook ouderen een zware tol te betalen door het inboeten van bewegingsvrijheid en door toenemend isolement. Een nog veel groter probleem dat cynischerwijze kan schuilgaan achter soms iets gunstiger ongevallencijfers. Veel ouderen komen dan maar niet meer buiten, omwille van de sociale en verkeersonveiligheid die ze op straat ervaren. Bij de subjectieve onveiligheidsgevoelens komen de verkeersstress en de on-leefbaarheid van de buurt op de eerste plaats. Enkele cijfers : gepensioneerden maken
gemiddeld 1,78 verplaatsingen per dag met een afgelegde afstand van 20 km
(tegenover het globaal gemiddelde : 2,7 verplaatsingen per dag en 34,5 km
afstand). Eén derde van de ouderen maken echter (bijna) geen verplaatsingen
meer. Bij de 65-plussers beschikt meer dan de helft van de vrouwen niet over
een rijbewijs. Ouderen zijn dus duidelijk minder mobiel. Ouderen maken verhoudingsgewijs minder
gebruik van de wagen, gaan het meest te voet en nemen het meest het openbaar
vervoer. Toch is de trend dat senioren langer met de wagen blijven rijden (cf.
Vlaamse Stichting Verkeerskunde/VAB, Senioren in het Verkeer, 1998). Door de
invoering van het gratis rijden, wordt er de laatste jaren duidelijk meer
gekozen voor tram, bus of trein. Om het recht op mobiliteit voor alle groepen van ouderen te verzekeren, zijn bv. volgende aandachtspunten van belang : * inrichting van de weg waarbij max. rekening gehouden wordt met o.m. de beweeglijkheid en de reactiesnelheid van oudere weggebruikers. Zo bv. voor de verkeersleefbaarheid (bv. oversteekbaarheid van straten, op kruispunten) of de verkeersveiligheid (bv. toegelaten snelheden). * maximale begeleiding van ouder wordende chauffeurs opdat ze lang maar ook veilig op de weg kunnen blijven (aanbod van vrijwillige testen van rij- en verkeersvaardigheden) * veilig en comfortabel bereikbare voorzieningen : basisvoorzieningen mogen niet enkel met de wagen bereikbaar zijn * “basismobiliteit” : vlot toegankelijk openbaar vervoer op loopafstand * begaanbare trottoirs – fietspaden die rekening houden met oudere fietsers (cf. het resp. Vademecum voor voetgangers en fietsers) * voldoende rustplaatsen in het openbaar domein en zeker in het verkeer (banken – vluchtheuvels – herkenningspunten) Belangrijk is dat verkeersspecialisten en wegbeheerders de inrichting van de weg mee vanuit het standpunt van ouderen bekijken of beter nog met ouderen actief overleg plegen.
Lawaai is een vorm van milieuvervuiling die bijzonder schadelijk kan zijn voor de gezondheid. En dan denken we niet alleen aan vliegtuiglawaai, maar aan alle vormen van geluidsoverlast en stress door verkeer, werken en andere lawaaierige activiteiten. Vooral geluidshinder tijdens de nachturen is niet enkel bijzonder hinderlijk, maar ronduit schadelijk voor de gezondheid. Vooral omdat ouderen sowieso al meer last
hebben van chronische slapeloosheid dan jongere volwassenen. 32,2% van de
leeftijdsgroep tussen 65 en 74 jaar zegt last te hebben van slaapproblemen,
34,4% van de leeftijdsgroep vanaf 75 jaar (VRIND, 2002).
Een volwaardig beleid inzake milieu en gezondheid voor ouderen kan niet tot stand komen zonder de actieve betrokkenheid van de ouderen zelf. Beleidsvoorstellen moeten de ouderen echt ten goede komen en mogen geen keurslijf opleggen aan ouderen of organisaties die met ouderenzorg doende zijn. In het ontwerp van decreet geďntegreerd ouderenbeleid kan de inbreng van ouderen in het beleid inzake hun milieu en gun gezondheid, geďntegreerd worden. Veel initiatieven kunnen genomen worden op het locale vlak. De zorg voor ouderen, gezondheid en milieu kan ook opgenomen worden in locale samenwerkingsovereenkomsten milieu of in een module bij de gemeentelijke mobiliteitsconvenants. Voor de wijze waarop ouderen inspraak krijgen niet alleen in het typische welzijnsbeleid maar ook in deze ruimere beleidsterreinen die van groot belang zijn voor hun leefomgeving, kan verwezen worden naar het voorstel van decreet tot stimulering van een planmatig locaal ouderenbeleid en de beleidsparticiaptie van ouderen (stuk nr. 1147). Milieuwetenschap en –beleid zijn relatief jonge disciplines. Jongeren zetten het milieubeleid uit van de toekomst. Wat uiteraard een goede zaak is. Toch ziet het ernaar uit dat vooral ouderen de eerste belanghebbenden zijn van een volwaardig beleid ten gunste van een beter leefmilieu. Het is dan ook van groot belang de inzet en expertise van ouderen te mobiliseren ten voordele van het nog prille duurzaamheidsproject van de samenleving. In de VS tracht men seniorencorpsen in te zetten voor de zaak van de solidariteit tussen de generaties en de kwaliteit van leven en leefomgeving. Ouderen kunnen aangesproken worden op hun directe eigen belang (leefbaarheid van hun publiek domein), maar zijn bovendien wellicht ook meer vatbaar voor argumenten voor de middellange en lange termijn (rechten van toekomstige generaties, welzijn van hun kleinkinderen). Temeer daar de noden van de jongste en de oudste generatie - zoals gebleken is – dikwijls wonderwel samenvallen. Ook in Duitsland zagen soortgelijke initiatieven het licht : het ‘Generationen Netzwerk Umwelt’ en het project ‘Alter für die Umwelt’. Een actieve betrokkenheid van ouderen bij het plannen maken van de overheid (verkeersplannen, milieuplannen, structuurplannen,..), bij besluitvoering maar ook bij de uitvoering (vrijwilligerstaken inzake verkeersveiligheid, toezicht, natuurbeheer, milieu-educatie,..) behoren tot de mogelijkheden. Intergenerationele Solidariteit : Zie : http://www.gu.org/about.asp
22,3 % van de bevolking in het Vlaams
gewest in 2002 is ouder dan 60, tegen 2010 zal dat reeds 24,8% zijn. 16,8 % van de 60-plussers is ouder dan 80, in 2010 zal dat 20,6% zijn. (VRIND, 2002). De vergrijzing van de samenleving stelt niet enkel problemen inzake betaalbaarheid van pensioenen. Het goede nieuws is dat veel meer senioren actief blijven, soms binnen, meestal buiten de werksfeer en een eigen leefstijl ontwikkelen. Maar daarmee ook - als meer betaalkrachtige groep - in toenemende mate beslag leggen op (schaarse) milieugoederen. Dit zal de komende decennia alleen maar toenemen en de maatschappij grondig van aanzien doen veranderen. Daarnaast is er de groep van hoogbejaarden die extra zorgen behoeft. Ook hier zal een zorgverzekering alleen niet volstaan : ook andere voorzieningen zullen nodig zijn binnen en buiten instellingen, om ook voor deze groep van oudere ouderen alle basisrechten uit het Handvest te blijven verzekeren. Het Amerikaans Milieubureau heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om de (ecologische) kost van een nieuwe vergrijsde maatschappij op voorhand te berekenen. Want als alle groepen van ouderen volwaardig op hun rechten staan – wat uiteraard de bedoeling is – zal dit moeten leiden tot een herverdeling van middelen. Enkele voorbeelden :
In het deel ‘Bevolking’ van MIRA-T 2001 wordt al op summiere wijze rekening gehouden met demografische evoluties, zoals de vergrijzing. Het is duidelijk dat dit veel meer in detail zal moeten bekeken worden de komende jaren. -------------------------------------------------------------------------------------------------------- Aging Research: The Future Face of
Environmental Health Tina Adler EHP, volume 111, nr 14, November 2003 :
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Bijlage 2 Persbericht Vlaamse
Milieumaatschappij Milieuverontreiniging kost Vlaming
gemiddeld 5 gezonde levensmaanden, ook externe kosten lopen op. Milieuverontreiniging heeft invloed op
volksgezondheid
MIRA-T 2004 schetst een beeld van de
effecten van milieuverontreiniging op de volksgezondheid in Vlaanderen. Die
effecten worden uitgedrukt in aantal verloren gezonde levensjaren, zoals ook de
Wereldgezondheidsorganisatie dat doet. Een verloren gezond levensjaar kan zowel
slaan op een verloren levensjaar door vroegtijdige sterfte als op een periode
van ziekte. Het onderzoek beperkt zich tot de
factoren zwevend stof, ozon, kankerverwekkende stoffen, lood en lawaaihinder.
Deze aspecten van milieuverstoring liggen aan de bron van heel wat aandoeningen
aan hart en luchtwegen, van kankers en van ernstige hinder en slaapverstoring
door geluid. Vorig jaar leidde dit in Vlaanderen tot het verlies van 36.000
gezonde levensjaren. Concreet betekent dit dat elke Vlaming - bij een
ongewijzigde milieutoestand - gemiddeld vijf gezonde levensmaanden verliest. De ziektelast is bovendien ongelijk
verdeeld over de bevolking: kinderen, ouderen en zieken boeten meer in aan
gezonde levensmaanden. Met deze cijfers is nog maar een deel
van de impact van de actuele milieutoestand op de gezondheid gekend. Zo kunnen
de gezondheidseffecten van een aantal gevaarlijke stoffen zoals PCB’s, bestrijdingsmiddelen
of gebromeerde vlamvertragers in de lucht en het voedsel nog niet
gekwantificeerd worden. Ook de precieze invloed van andere milieuproblemen
zoals klimaatverandering is nog onvoldoende
in cijfers uit te drukken. Het gemiddelde verlies van vijf gezonde
levensmaanden is dus ongetwijfeld een onderschatting van de werkelijke impact. Het grootste aandeel in het totaal
aantal - gekende - verloren gezonde levensjaren komt op rekening van zwevend
stof (71%). Zwevend of fijn stof is een mengsel van afzonderlijke
deeltjes met uiteenlopende samenstellingen en afmetingen. Hoe kleiner de
afmetingen, hoe dieper stofdeeltjes kunnen doordringen in de longen en hoe
groter het schadelijk effect. Langdurige blootstelling aan zwevend stof
verhoogt het risico op sterfte door hart- en luchtwegenaandoeningen en op
longkanker. De totale uitstoot van zwevend stof
daalde in de tweede helft van de jaren ’90, maar sinds 2000 niet meer. De industrie, het verkeer en de
huishoudens zijn de belangrijkste bronnen van zwevend stof. De industriële
emissies zijn afgenomen in de periode 1995-2000 door het toenemend gebruik
van aardgas i.p.v. aardolie en steenkool en door een betere rookgaszuivering. De emissies door de verwarming van de
woningen (huishoudens) zijn sinds 1995 nagenoeg niet veranderd: de
milieuwinst door een groter aandeel aardgas wordt tenietgedaan door een
stijging van het aantal gezinnen en een toegenomen energiegebruik. Betere
isolatie en efficiëntere verwarmingsinstallaties zijn dus niet alleen
noodzakelijk om de klimaatverandering tegen te gaan en de Kyoto-doelstellingen
te halen, ze dragen ook bij tot de vermindering van de gezondheidseffecten door
zwevend stof. Het verkeer is een
belangrijke bron van zwevend stof. Vooral de verbranding van brandstof, maar
ook de slijtage van banden, remmen en wegdek veroorzaken zwevend stof. Door het
gebruik van steeds zuiniger en properder voertuigen, daalt de uitstoot van
zwevend stof door verkeer. Toch is ook hier een aanpak aan de bron het meest
effectief: hoe minder de wagen gebruikt wordt, hoe beter. En een
milieuvriendelijk rijgedrag zal niet alleen het brandstofverbruik, maar ook de
gezondheidseffecten verminderen. Gezondheidseffecten door geluidshinder
zijn goed voor 18% van de verloren gezonde levensjaren. Uit een recente
enquęte blijkt dat ongeveer 30% van de bevolking zich tamelijk of ernstig
gehinderd voelt door geluid. Hoewel alle sectoren geluidshinder veroorzaken, is
het verkeer veruit de belangrijkste bron van hinder. 1,4% van de Vlaamse
bevolking of omgerekend 84.000 inwoners zeggen dagelijks wakker te worden door
het geluid van wegverkeer, voor de luchtvaart is dat 0,5% of 30.000 inwoners. Kankerverwekkende stoffen
zijn
goed voor 6% van de verloren gezonde levensjaren. En er zijn nog andere
milieuverstorende factoren die een invloed hebben op onze gezondheid, al is de
impact daarvan nog niet becijferbaar in verloren gezonde levensjaren. Een belangrijk en vaak
onderschat gevolg van de klimaatverandering, is de toename van het
aantal hittegolven. In Europa vielen de 8 heetste zomers sinds 1850 allemaal in
de laatste 14 jaar. Uit analyses van het Wetenschappelijk Instituut voor
Volksgezondheid blijkt dat de hittegolf van 2003 in België meer dan 1.250
mensenlevens eiste. De uitstoot van broeikasgassen is een belangrijke oorzaak
van die opwarming. In Vlaanderen ligt de uitstoot nog 10% boven de
Kyoto-doelstelling en er is nog steeds geen sprake van een structurele daling. Kostenplaatje? Milieuverontreiniging
leidt ook tot externe kosten. Externe kosten zijn schadekosten door ongewenste
neveneffecten van maatschappelijke activiteiten (bv. transport, industriële
productie …) die schade berokkenen aan andere personen, gewassen, gebouwen,
materialen … en niet mee verrekend zitten in de prijs die we betalen. De externe kosten van de
verontreiniging door zwevend stof zijn vooral gezondheidskosten. Voor
Vlaanderen werd het totaal van de externe gezondheidskosten van zwevend stof in
2003 berekend op 1,1 miljard euro. Dit bedrag komt overeen met 0,8% van het
bruto binnenlands product (BBP) of 190 euro per inwoner. Ook de externe kosten van
het verkeer zijn aanzienlijk. Ze omvatten kosten door tijdsverlies in de file,
ongevallen, schade aan het wegdek en milieuschadekosten. De externe kosten van het
wegverkeer verschillen sterk volgens voertuigtype en naargelang plaats en
tijdstip. Een gemiddeld voertuig (inclusief vrachtwagens en bussen)
veroorzaakte in 2002 in nietstedelijk gebied tijdens de dalperiode 11 euro
schade per 100 (extra) gereden kilometer. In stedelijk gebied tijdens de
piekperiode (spits) is dit bijna 97 euro per 100 (extra) gereden kilometer. Als
de externe kosten vergeleken worden met de belastingen op het wegverkeer,
blijkt dat deze slechts een fractie van de kosten dekken. Het verschil is
vooral groot in de stad en tijdens de piekperiode. Om deze kosten beter in
rekening te brengen, zouden de belastingen moeten variëren naargelang
voertuigtype, plaats en tijdstip. De brede waaier aan
gevolgen van milieuverontreinigende activiteiten impliceert ook dat inspanningen
om deze aan te pakken meer dan één positief gevolg hebben. Wie zijn/haar wagen
wat vaker laat staan, draagt niet alleen zijn/haar steentje bij tot de aanpak
van luchtverontreiniging, klimaatverandering en geluidshinder. Ook onze
gezondheid zal erbij gebaat zijn. Daar bovenop bespaart hij/zij de kosten die
gepaard gaan met deze negatieve effecten voor zichzelf, medeburgers, bedrijven
en overheid. Een analoge redenering gaat ook op voor een betere isolatie van de
woningen en andere energiebesparende maatregelen. De samenvatting (13 pagina’s) van MIRA-T 2004 geeft een vollediger overzicht van de bevindingen van het rapport en is beschikbaar op www.vmm.be/mira. Op deze vernieuwde website kunnen ook alle teksten van MIRA-T 2004 en nog veel meer milieu-info geraadpleegd worden. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Bijlage 3 Wisselende Berichtgeving over dodentol
hittegolf 2003 30/8/2003 'In
België geen sprake van gezondheidscrisis door hitte' Minister Demotte laat steekproef
nemen in aantal ziekenhuizen 'Niets wijst erop dat de hittegolf van augustus in
ons land heeft gezorgd voor een gezondheidscrisis.' Dat stelt minister van
Volksgezondheid Rudy Demotte (PS) in een nota op basis van een rondvraag en een
beperkte steekproef bij 55 ziekenhuizen, die De Morgen kon inkijken. 'Het
federaal alarmplan werkt.' Experts manen echter aan tot voorzichtigheid.
'Hieruit kun je nog geen enkele conclusie trekken.' Gisteren maakte het Franse
ministerie van Volksgezondheid de dramatische dodentol bekend die de hittegolf
daar heeft geëist: 11.435 extra doden. Nathalie
Carpentier Zorgde
de hittegolf die de eerste helft van augustus ook ons land in de ban hield nu
voor een duidelijke toename van het aantal sterfgevallen of niet? Op het
ogenblik zelf meldde onder meer de dienst overlijdens van de stad Gent dat de
overlijdensaangiften voor die periode vergeleken met het jaar voordien met 36
procent waren gestegen. Op globalere officiële cijfers was het echter nog
wachten. In
een nieuwe nota die De Morgen kon inkijken, maakt minister van Volksgezondheid
Rudy Demotte nu de balans op van de hittegolf in ons land. Hoewel Demotte
erkent dat er nog geen volledige cijfers zijn over de impact is het duidelijk
dat de balans positief uitvalt, aldus de minister. "Er was in België geen
gezondheidscrisis die verband hield met de hittegolf." En: "De
structuren (waaronder de Cel Medische Bewaking) hebben gefunctioneerd."
Ook als de hitte langer had aangehouden of de temperatuur hoger was opgelopen,
zou het alarmsysteem en het noodplan in staat zijn geweest om de situatie het
hoofd te kunnen bieden, aldus Demotte. Een rondvraag van het Radio 1-programma
De Wandelgangen bij de burgerlijke stand van alle grote steden lijkt die
stelling te ondersteunen: ondanks de grote hitte in augustus vielen er in
Vlaanderen en Brussel geen extra doden. Omdat
het wachten was op cijfers liet Demotte de Cel Medische bewaking een steekproef
uitvoeren bij 55 ziekenhuizen: 33 in het Vlaams Gewest, 17 in het Waals Gewest
en 6 in het Brussels Gewest. Daarbij werd voor de eerste twee weken van
augustus het aantal opnamen en het aantal sterfgevallen vergeleken tussen 2002
en dit jaar. Waarom iemand werd opgenomen en of die opnamen verband hielden met
de hitte of niet is echter niet geweten. Over globale sterftecijfers in de
ziekenhuizen beschikt het kabinet niet. Ook over de rusthuizen zijn er geen
officiële cijfers. Uit navraag bleek echter dat de hitte geen verhoogde
gezondheidsproblemen opleverde. "Dit
is een representatieve steekproef", vult Demottes woordvoerder Karim
Ibourki aan. "Vanuit de rusthuizen hebben we geen alarmsignalen gekregen.
Als er zich een ernstig probleem voordoet in de rusthuizen, komen die overigens
bij de spoed terecht. Uit het aantal opnamen in een ziekenhuis kun je afleiden
of er een gezondheidscrisis was of niet. De gegevens daarover zeggen dat er
geen crisis was." Gezondheidsexperts
waarschuwen echter dat het te vroeg is om al conclusies te trekken over de
impact van de hittegolf, de steekproef is ook te beperkt. "Ik vermoed dat
de impact inderdaad niet heel erg was, maar ik zou hier toch zeer voorzichtig
mee zijn", zegt Peter Hooft, hoofd van de Administratie Volksgezondheid
van de Vlaamse gemeenschap, arts en epidemioloog. "Trends die je hieruit
afleidt, kunnen nog altijd toeval zijn. Om echt zinvol te zijn, moet je geduld
hebben en wachten op cijfers van september. Dan kun je zien of de extra
overlijdens genivelleerd worden door een lager aantal." Professor
Marc Sabbe, diensthoofd spoedgevallen van het Leuvense Universitair Ziekenhuis
Gasthuisberg, deelt die mening. "De enige conclusie die je hier nu al uit
kunt trekken, is dat we dringend een instituut nodig hebben zoals het
Amerikaanse Center for Disease Control, zodat je meteen on line en op het
ogenblik zelf alle cijfers kunt controleren. Alleen dan kun je kort op de bal
spelen en effectief ingrijpen." In
dit geval werden vooral retrospectief gegevens verzameld, wat niet de correcte
methode is, voegt Sabbe eraan toe. "Dit is een mooie poging om de situatie
te evalueren. Zoiets moet zeker aangemoedigd worden, maar het is verre van
perfect. De Cel Medische Bewaking is nog onvoldoende gestructureerd. Uit de
gegevens die ze verzameld heeft, kun je de echte impact van de hittegolf niet
aflezen. Het gros van de Belgische bevolking overlijdt overigens nog altijd
thuis of in een rusthuis en niet in een ziekenhuis. Als je enkel cijfers van
ziekenhuizen hebt, kun je misschien zien dat er geen relevant verschil is
tegenover vorig jaar, maar verder mag je daaruit niets concluderen." Hoe
dan ook was de situatie in ons land niet te vergelijken met de dramatische
omvang die de hittegolf in Frankrijk aannam, besluit het kabinet. Peter Hooft
beaamt. "Onze gezondheidszorg is beter georganiseerd en ook het sociaal
vangnet is groter. Bovendien is in Parijs de temperatuur niet alleen hoger
opgelopen, de stad kampt ook met erg veel smog. Hier hebben we zeker geen
Franse toestanden meegemaakt." Gisteren
liet het Franse ministerie van Volksgezondheid weten dat de hitte tijdens de
eerste helft van augustus had gezorgd voor 11.435 extra doden. Dat is een stuk
hoger dan de overheid eerst wilde toegeven: aanvankelijk hielden ze het op
3.000 doden, terwijl de beroepsvereniging van begrafenisondernemers voor de
eerste drie weken al sprak over 10.400 extra doden. In
Frankrijk eiste de voorbije hitte 11.435 mensenlevens. De Belgische minister
van Volksgezondheid zegt dat het noodplan voor hitte hier werkte. (Foto AFP) De Morgen, pagina 6, 782 woorden 18-09-2003 Minder zomerdoden in 2003 Deze zomer stierven in België niet meer
mensen dan andere jaren, zelfs eerder minder. Dat blijkt uit de eerste, nog
niet helemaal volledige officiële cijfers die minister van Volksgezondheid
Demotte (PS) van het rijksregister kreeg. Eerder wees een steekproef bij enkele
ziekenhuizen erop dat de hittegolf wel voor extra doden gezorgd zou hebben. In
juli en augustus stierven 15.891 mensen, minder dan in de vorige zomers. Omdat
de hittegolf ook op langere termijn gevolgen kan hebben, gaat de screening door
tot in oktober. Demotte wil wel het systeem om zulke gegevens in te zamelen
verbeteren. In Frankrijk kostte de hitte het leven aan 11.000 ŕ 15.000 mensen.
Ook in Portugal en Italië vielen hitteslachtoffers. (NC) De Morgen, pagina 3, 202 woorden
Hittegolf eiste toch 1.300 levens Minister Rudy Demotte lanceert actieplan voor hete zomer De hittegolf van vorig jaar maakte in
ons land bijna 1.300 doden en dat zijn er beduidend meer dan aanvankelijk
gedacht. Om herhaling te voorkomen, heeft minister van Volksgezondheid Rudy
Demotte (PS) een nationaal actieplan opgesteld. Maar, zegt hij, ,,zonder
buurtsolidariteit waarmee we de zwaksten in onze omgeving helpen, vermogen we
niets tegen een hittegolf''.door Frans DE SMET Pas nu kan de balans worden opgemaakt
van de hittegolf die ons in augustus 2003 trof. De cijferaars van minister
Demotte komen uit bij 1.258 tot 1.297 extra doden als gevolg van de hittegolf.
In verhouding tot de bevolking is dit een kwart van de extra sterfte in
Frankrijk, waar de temperaturen nog veel hoger opliepen. Dat de ramingen lichtjes uiteenlopen,
komt doordat het vooral om (hoog)bejaarden gaat, en als die terminaal ziek
zijn, valt niet altijd met zekerheid uit te maken of de hitte hun dood wel of
niet vervroegde. De temperaturen lagen nog iets hoger in
Franstalig België dan in Vlaanderen, en daar vielen bijgevolg in verhouding
meer doden. Ook in Brussel piekte het sterftecijfer. Demotte ziet daarin het
bewijs dat de onderlinge solidariteit, die in de anonieme massa van een
grootstad minder groot is dan op het platteland, een bepalende factor is bij
het inperken van het aantal slachtoffers. Maar in Vlaanderen doet zich een ander
curieus fenomeen voor: na de eigenlijke hittegolf, in september, werden bij ons
nog eens 389 doden toegeschreven aan de naweeën ervan. In de andere gewesten
deed dit fenomeen zich niet voor. Demotte: ,,We hebben niet het flauwste
vermoeden hoe dat komt.'' Wie loopt risico? Maar de balans van de hittegolf is
alleszins voldoende zwaarwichtig om een nationaal actieplan op te stellen. Dat
loopt al sinds 1 juni. Demotte verspreidt een informatiefolder op 750.000
exemplaren via dokters, apothekers en andere hulpdiensten. Hij stuurt
omzendbrieven naar alle dokters, zieken- en rusthuizen en andere
zorgverstrekkers. In de rusthuizen worden koele vertrekken ingericht.
Risicopatiënten worden geďdentificeerd. ,,Anticiperen op een hittegolf is van
het grootste belang.'' Van zodra de gemiddelde temperatuur
gedurende drie dagen de 23 graden overstijgt, wordt overgeschakeld op verhoogde
waakzaamheid. Maar, zegt Demotte, ,,ons plan staat en
valt met het versterken van de onderlinge solidariteit. Wie loopt er risico?
Ouderen, jonge kinderen, zieken, alleenstaanden die weinig mobiel zijn en
noodgedwongen huizen in warme verblijven zoals de hoogste verdiepingen. Enkel
via buurtsolidariteit kunnen we drama's voorkomen bij risicogroepen. Het gezin,
de vrienden en de buren moeten hun deel van de taak op zich nemen.'' Het Nieuwsblad, pagina 5, 355 woorden
Topklimatoloog die duizend
hittedoden voorspelde, werd vorig jaar nog weggelachen 'Solidariteit is goed en wel, maar
om een herhaling van deze catastrofe echt te voorkomen moet je de
broeikasgassen fors reduceren' Professor
Jean-Pascal Van Ypersele (UCL) voorspelde vorige zomer al dat de hittegolf van
2003 ook in ons land voor meer dan duizend hittedoden zou zorgen. Dat stuitte
toen op erg veel sceptische reacties, maar gisteren kreeg hij gelijk met het
officiële dodencijfer: meer dan 1.250 doden. Het noodplan dat minister Demotte
uitwerkte, vindt hij een halfslachtige oplossing. 'Om een herhaling van deze
catastrofe echt te voorkomen moet je de broeikasgassen fors reduceren.' 'De
zomer van 2003 gaat 1.500 keer doden." Met die forse uitspraak in de
Franstalige media kon professor Jean-Pascal Van Ypersele, lid van het
Intergouvernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de Verenigde Naties, een
groep topwetenschappers die de impact van de opwarming van onze planeet
bestudeert, vorige zomer niet alleen rekenen op ongelovige reacties in de pers,
ook veel van zijn collega's reageerden bijzonder sceptisch. "Maar jammer
genoeg blijk ik nu gelijk te krijgen. Maar ook nu nog wordt het
geminimaliseerd. Het kabinet nuanceert het door te verwijzen naar Frankrijk,
waar het aantal doden nog hoger lag. Dat is geen argument. Er zijn 1.300 mensen
gestorven, dat is een catastrofe. Als er twee Airbussen boven België zouden
neerstorten, zou je daar maandenlang over horen." Gisteren
stelde minister van Volksgezondheid Demotte tevens een noodplan voor om een
herhaling van het scenario te voorkomen. Daarin worden onder meer medische
maatregelen voorgesteld, acties om dehydratatie van ouderen en zwakkeren te
vermijden en wordt gevraagd om oudere, kwetsbare mensen niet in de steek te
laten. Het plan rept echter met geen woord over het effect van de ozonpieken,
noch over de invloed van de milieuvervuiling. "Bij de vorige dramatische
hittegolf in 1994 is gebleken dat veel doden te wijten waren aan een combinatie
van ozonpieken en de hitte. We kunnen niet bewijzen dat de hittegolf van 2003
een duidelijk effect is van de klimaatsverandering, het kan altijd nog om een
fluctuatie gaan. Maar wat wel duidelijk naar voren komt bij simulaties van
klimaatmodellen is dat zulke zomers alleen maar frequenter zullen worden. En
het IPCC heeft berekend dat het gros van de klimaatsopwarming toe te schrijven
is aan de uitstoot van broeikasgassen door de mens." Het
noodplan mist dan ook grotendeels zijn doel, vindt Van Ypersele. "Dit is
een enorme gemiste kans om de basisoorzaak van dit fenomeen aan te pakken. Er
wordt voorgesteld om extra water te geven en dehydratatie te vermijden bij
ouderen bij een eventuele volgende hittegolf. Maar als je een herhaling van
deze catastrofe echt wilt voorkomen, moet je de uitstoot van de broeikasgassen
fors reduceren." Van Ypersele is verbaasd dat die reflex ook nu nog ontbreekt.
"Blijkbaar wachten we gewoon tot het weer gebeurt. Wat is er nog nodig om
het alarmbelletje te laten rinkelen? Overstromingen op de golfterreinen van
Knokke-Le Zoute?" De
Morgen, pagina 6, 394 woorden Bijlage 4
Studie schetst impact van fijn stof in lucht op onze gezondheid Jaarlijks 288.000 vroegtijdige overlijdens in Europa, 10.669 in
België De smog van fijn stof veroorzaakt
jaarlijks bijna 300.000 vroegtijdige overlijdens in Europa, zo blijkt uit een
studie die gisteren bij de Europese Commissie werd besproken (zie pagina 1).
Ons land, vooral het noorden, scoort bijzonder slecht. Niet alleen is de
dodentol hier proportioneel het hoogst, de vervuilde lucht kost ons ook meer gezonde
maanden in vergelijking met andere landen. Met een dichtbevolkt verstedelijkt
gebied, een dicht wegennet met veel dieselvoertuigen en de nabijheid van
industriële gebieden piekt de concentratie fijn stof in Vlaanderen. Omdat fijn stof bestaat uit stofdeeltjes
met een diameter van een honderdste van een millimeter of kleiner kunnen ze
diep doordringen in de longen en de bloedbaan. Probleem is dat fijn stof in de
lucht allerlei vervuilende stoffen zoals zware metalen, dioxines, of pcb's met
zich meedraagt, die zo via de ademhaling het lichaam binnendringen. Op korte termijn kan de luchtvervuiling
ervoor zorgen dat zieke mensen sneller overlijden. Op lange termijn spelen ze
mogelijk een rol bij de ontwikkeling van tumoren en ademhalingsstoornissen. Een
studie die door de Europese Commissie besteld werd voor het programma Clean Air
for Europe schetst de impact op de gezondheid. Zo zou de smog van fijn stof
verantwoordelijk zijn voor meer dan 288.000 vroegtijdige overlijdens in Europa.
In ons land stierven in 2000 10.669 mensen vroegtijdig, relatief meer dan één
op de duizend inwoners. Daarmee is de relatieve dodentol in ons land het hoogst
van alle Europese lidstaten. Ook kost de vervuilde lucht ons het meeste gezonde
maanden: 13,6. De vervuiling zou de levensverwachting in Europa doen dalen met
gemiddeld negen maanden. Fijn stof komt ook natuurlijk voor,
maar wordt daarnaast uitgestoten door het verkeer, vooral dieselvoertuigen, de
industrie en bij de verbranding van fossiele brandstoffen. "Vlaanderen
behoort samen met Nederland, het westen van Duitsland en de regio Milaan tot de
sterkst vervuilde gebieden", verduidelijkt Mie Van den Kerckhove,
woordvoerster van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). "We zitten hier met
een dichtbevolkt en sterk verstedelijkt gebied, er is de nabijheid van
geconcentreerde industriezones zoals het Roergebied en het zuiden van
Nederland. Daarbij hebben we een dicht wegennet en rijden wij in vergelijking
met andere landen nog heel veel met dieselmotoren." Sinds begin 2005 geldt er een nieuwe
strengere richtlijn voor de maximumconcentratie fijn stof in de lucht. De
gemiddelde dagelijkse concentratie fijn stof met een diameter van een
honderdste van een millimeter mag 50 microgram per kubieke meter niet
overschrijden. "Wij halen dat niet", aldus Van den Kerckhove.
"In 2003 hebben we die richtlijn in zowat alle meetstations overschreden.
Dat hing toen samen met een uitzonderlijk hete zomer, maar ook in de toekomst
zullen we erg veel moeite hebben om aan die norm te voldoen. Er is duidelijk
een probleem met fijn stof in ons land." De Morgen, pagina 5, 469 woorden ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Bijlage 5 Symposium milieukwaliteit en
gevoelige groepen, november 2004)
(
STICHTING MELDPUNTENNETWERK GEZONDHEID
& MILIEU ) Lezing Dr. M.M.H.M. Meinardi, dermatoloog, Huid en Omgeving – MSC Er komt een patiënt met
klachten bij je. Je herkent het klachtenpatroon, doet onderzoek, stelt de diagnose en gaat
na of er interne of externe factoren aanwezig zijn, die de klachten verergeren.
Aanpakken van deze factoren is belangrijk. Als iemand pijn heeft omdat zijn vingers tussen
de deur zitten, kun je twee dingen doen. Je kunt hem pijnstillers geven, maar
ook zijn vingers tussen de deur uithalen…Dat klinkt simpel, maar dat wordt nogal eens
vergeten. Heel vaak wordt er snel naar een receptenboek gegrepen, omdat we ons
allemaal voorstellen dat patiënten bij ons komen voor een recept. Opsporen van de
oorzaak, voorlichting en preventie zouden echter minstens even belangrijk moeten zijn.
Maar meestal kabbelt het rustig zo door, tot er op een dag een patiënt komt, die zegt:
“ik heb eetlustverlies”. Da’s goed, dat kunnen we ons voorstellen, en schrijven we op.
Daarnaast heeft de patiënt ook nog klachten van een doof gevoel, moeheid en nog veel meer.
Op een gegeven moment krijg je een beeld wat niet meer klopt. Normaal heeft
iemand last van eczeem of jeuk door gebruik van een deo of zeep. Je haalt de deo of zeep
weg en de klachten zijn over. Zodra de klachten zich uit
gaan breiden over het hele lichaam in een schijnbaar chaotische mengeling van
symptomen die ook nog eens verergerd worden door het ruiken van bijv.
dieselolie of tapijtlijm en ook nog eens progressief zijn, mild beginnen maar later zo verergeren
dat mensen niet meer naar buiten kunnen, maar wel direct opknappen in een schone
omgeving, dan breekt onze klomp. Dat staat niet in ons boek en daar kunnen we niets
mee. We hebben een simpel vak. We hebben boeken en die boeken hebben vakjes en
als je daar als patiënt in past dan is het goed en wordt er een therapie bijgezocht. Iets wat je niet verder
mag vertellen; als je kijkt naar de effectiviteit van de Westerse geneeskunde dan kunnen we
maar 30 % genezen en 70 % is pappen en nathouden… Op een gegeven moment
heeft de patiënt alles verteld en komt met de eindzin: Dokter, ik heb MCS. Wat is MCS?
Officieel bestaat het niet maar er zijn wel patiënten met deze klachten, en niet één maar
meerdere met een verschillend maar toch op elkaar gelijkend klachtenpatroon. Beginnend
met een milde maar eindigend met een heftige intolerantie voor alles wat er zich in
hun omgeving bevindt. Als wij op het internet
naar MCS gaan zoeken komen wij geen objectieve bronnen tegen, maar toch zijn er vele
patiënten. Misschien is het wel zo dat mensen met MCS een mechanisme hebben
ontwikkeld waarmee hun lichaam aangeeft dat er iets niet goed zit in hun omgeving. Een soort
natuurlijk waarschuwingsmechanisme. Paddestoelen die vies ruiken eet je niet... Als je gaat zoeken in de
literatuur, dan zie je dat er twee groepen zijn, die niet mengen. Bij 2/3 vind je een
organische oorzaak en bij 1/3 een psychische. Bij het zoeken naar organische oorzaken kom je
momenteel vele ideeën tegen. Iedereen heeft zijn eigen idee en gaat daarmee aan de
slag. Vaak wordt er onderzoek gedaan met bepaalde testen zonder voorafgaande
hypothese. Je ziet verschillen, maar je weet echter niet of de veranderingen te maken
hebben met een ziekmakend of herstellend proces. We kunnen dan een verkeerd beeld
krijgen. Mensen die MCS hebben zijn
exponentieel gevoeliger voor chemicaliën, geur, gas, damp. De symptomen zijn divers.
Een bekende ziekte kan worden versterkt en vervormd o.i.v. MCS. Ook is er sprake van
versterkt en vervormd ruiken. Meestal is er snel herstel in een schone omgeving. Er bestaat geen eenduidige
test voor MCS. Er zijn heel veel testen waarvan de uitslagen vaak net positief zijn.
Maar hoe ontstaan labwaarden? Er wordt bijv. bij honderd mensen met suikerziekte gekeken
naar de waarde en aan de hand daarvan wordt een gemiddelde vastgesteld. Zit je
daaronder dan heb je geen suikerziekte. Het is maar de vraag of dit de juiste methode is… We kijken momenteel naar
MCS zoals in 1610 Galileo Galilei naar Saturnus keek en concludeerde dat het oren
heeft als een kopje. Naarmate de kennis groeide kwam men later in de geschiedenis
tot een andere (juiste) conclusie. In 1659 concludeerde Christiaan Huygens dat
Saturnus een ringstructuur had… Als wij over, zeg 50 jaar,
terugkijken dan moeten we vaststellen dat we naar MCS keken zoals Galilei naar
Saturnus, een planeet met oren. Pas later zag Huygens hoe het echt zat, een ring om de
planeet. Een compleet ander concept. MCS is geen witte vlek op
de maar staat niet eens op de kaart van de artsen. We denken namelijk dat we alles
weten, doen dat ook zo voorkomen en dan komt er een concept wat niet past, en
ontkennen dat het bestaat. We hebben een gebrek aan
kennis maar belangrijker is de wil om ons gedrag te veranderen. Wat doen we
zelf? Ik ga straks met een auto terug en als ik bij de benzinepomp sta, ruik ik
het een en ander. Dan denk ik, ja dit ik voorbeeld heb ik gebruikt om aan iemand aan
te geven dat je wordt blootgesteld aan allerlei stoffen. Iets meer betalen voor ons
voedsel zou een hoop uitmaken maar wie wil dat? We gaan liever goedkoop naar de
supermarkt. De huid is een barričre
voor omgevingsinvloeden De huid speelt een
belangrijke rol bij het buiten houden van omgevingsfactoren (UV, micro-organismen, parasieten,
grote moleculen, eiwitten) en bij het binnen houden van water en elektrolyten. De
huid is ook belangrijk voor de temperatuurregulatie. Er zijn stoffen, die de
huidbarričre passief kunnen passeren en op die manier vergiftigingsverschijnselen
kunnen veroorzaken (chroom, kwik, oplosmiddelen, pesticiden). Wanneer mensen komen met
huidklachten, dan kan er sprake zijn van allergie (rol immuunsysteem) of
irritatie (voor testen zie bijlage 2). Wordt een allergie aangetoond, dan is het uiteraard ook
nodig na te gaan of de huidige huidklachten inderdaad veroorzaakt worden door
die allergie. Zeer belangrijk is dat het vetlaagje (de lipidebarričre) intact
blijft. Heel veel stoffen kunnen dit beschadigen, ook water, en dan droogt de huid uit en
wordt deze gevoeliger voor uitwendige factoren. Ook het darmslijmvlies is
een barričre. Dit kan net als de huid meer of minder doorlatend zijn voor stoffen die er
eigenlijk niet doorheen mogen. Bij verhoogde doorlaatbaarheid ontstaat voedselallergie.
Onderzoek aan geďsoleerd darmepitheel wees uit dat het transport van twee stoffen
door het darmepitheel door histamine 2-5x en bij allergie voor eugenol 300x versneld
werd. Eugenol zit behalve in cosmetica en parfums ook in heel veel
voedingsmiddelen. Het komt uit kruidnagel en kaneel en heeft van nature een insecticide en fungicide
werking. Ook bloemen, zoals rozen en hyacinthen hebben eugenol in hun geur. (zie
bijlage 2) Conclusies: 1. Bij MCS aandacht hebben
voor complicaties: allergie, darmproblemen 2. De meeste artsen weten er
niets van en doen niets 3. Geef de huid meer
aandacht 4. Streef naar gifvrije
omgeving lezing: Dr. Doris Rapp “Hoe chemicaliën op onverwachte wijze
onze gezondheid aantasten”. Dr. Doris Rapp is klinisch assistent
professor in de kindergeneeskunde aan de universiteit van de staat New York in
Buffalo. Onlangs werd zij op de Harvard Universiteit ‘de moeder van de
Milieugeneeskunde’ genoemd. Dr. Rapp heeft een stichting genaamd Environmental
Medical Research Foundation. In haar laatste boek: ‘Our Toxic World: A
Wake-up Call’ worden de vele negatieve gezondheidseffecten besproken van
bepaalde synthetische stoffen op onze hersenen, lichamen en geslachtsorganen.
Daarnaast geeft het de lezer ook hoop en mogelijkheden zich ertegen te
beschermen en gezond te blijven. “My aim is not to scare you a little, but to
scare you a lot!” (samenvatting) Het is slechter gesteld
met ons milieu dan je denkt, maar het goede nieuws is dat je zelf een hoop kunt doen. In
Europa gaat men uit van het voorzorgsprincipe en heeft men het POP’s-beleid, maar in
Amerika is de situatie heel anders. Wat weten we nu van de combinaties van
chemicaliën waar we dagelijks aan blootgesteld worden? Chemicaliën veranderen organen en onze
genen, tasten je immuunsysteem aan maar ook je zenuwstelsel, endocriene
en voortplantingssysteem. Elk gebied van je lichaam kan beďnvloed worden, zelfs al
bij een kleine hoeveelheid. Alles is nu verontreinigd met chemicaliën; je bloed,
urine, vetweefsel en bij vrouwen de moedermelk. En het is een farce dat men zegt dat dit
niet te bewijzen is. Onderzoeken in de VS tonen
meer hersenbeschadigingen en tumoren bij kinderen aan, achteruitgang van de
kwaliteit van sperma, toename van agressiviteit en transsexualiteit, diabetes bij honden en
katten, visziekte in vervuild water. Meervoudige chemische
overgevoeligheid is de oorzaak van veel problemen. Verschijnselen die op
blootstelling duiden zijn onder meer paniek- en angstaanvallen, oorinfecties bij kinderen,
druk op de borst, maagoprispingen en buikproblemen, spierpijn, hoofdpijn,
gedragsproblemen. Onze lichamen bevatten gif
en moeten dringend ontgift worden. Het antwoord is ‘vermijd gif en zorg dat het je
lichaam uitgaat’. Daar zijn een aantal therapieën voor. Gebruik nutriënten om het
immuunsysteem weer op te bouwen. Reinig de binnenlucht en het leidingwater met
zuiveringsapparatuur. Vermijd EM-velden en mobiele telefoons.Drink meer water, en eet alleen
onbespoten, onbestraald en gentechvrij voedsel. Maak een einde aan stress,
mediteer, doe meer aan lichaamsbeweging. Kinderen kun je laten
schrijven of tekenen voor en na vermoede blootstelling. Is er verschil? Meer informatie
en tips over zelfmedicatie: mijn boek A wakeup call. Bijlage 6 Leidt milieuvervuiling tot meer dementie? Zenuwstelsel Chris Honselaar onderzocht bij de
Biolo- giewinkel wat er bekend is over een mogelijk verband met milieufactoren
bij ouder- domsziekten van het centrale zenuwstelsel. Daarbij ging hij in op de
ziektemechanismen bij de ziekte van Alzheimer (dementie), Parkinson en een
aantal andere hersenziekten. Deze ziekten gaan gepaard met degeneratieve
veranderingen in het zenuwstelsel. Patiënten leven gemiddeld tien jaar korter
dan gezonde generatiegenoten. Veroudering, met andere woorden, kan afgemeten
worden aan de kwaliteit van het centraal zenuwstelsel. Tussen de verschillende ziektebeelden
bestaan nogal wat overlappende verschijnselen. Vrijwel altijd is er sprake van
aan- geboren gevoeligheid, maar het is goed denkbaar dat belasting met
chemische stoffen een extra risicofactor vormt. De meeste bestrijdingsmiddelen
zijn zenuwgiffen. Maar ook zware metalen en tal van luchtverontreinigende
stoffen kunnen zenuwcellen aantasten.
Om daadwerkelijk schade te kunnen veroorzaken moet de stof eerst het
zenuwstelsel bereiken. De hersenen zijn beschermd door de bloed-hersenbarričre, die de meeste gifstoffen tegenhoudt.
Stoffen die gemakkelijk in vet oplossen kunnen deze barričre passeren.
Daaronder vallen veel bestrijdingsmiddelen. Ook via de neus kunnen stoffen de
hersenen binnenkomen. Er zijn twee routes: de longen en de reukzenuw. Via de
longen kunnen gasvormige stoffen in het bloed opgenomen worden, en via het
bloed dringt een deel van de stoffen tot het zenuwstelsel door. Er zijn
gevallen beschreven, waarbij na een een- malige hoge blootstelling,
bijvoorbeeld na een milieu-incident, onomkeerbare zenuwschade optrad. De
reukzenuw is een rechtstreekse verbinding tussen de neusholte en hersenen. Het
enige dat de neusholte scheidt van de reukzenuw is een uiterst dun laagje reuk-
epithee1cellen. Mensen
kunnen ook blootgesteld worden via voeding of drinkwater. Ook hier gaat het
vaak om incidenten, waarbij mensen in korte tijd relatief grote hoeveelheden
gif- stoffen binnenkrijgen. Bloed-hersenbarričre Alzheimer
en andere vormen van demen- tie staan bekend als ouderdomsziekten. Dat wekt de
schijn van onvermijdelijk- heid. Maar het is beslist niet zo, dat ieder- een
die oud wordt ook dement wordt. Eerst moet er schade aan het zenuwstelsel
optreden. Blootstelling aan zenuwgiffen, die de bloed-hersenbarričre passeren,
kan tot schade leiden. Schade, die niet gerepa- reerd kan worden, omdat
zenuwcellen zich niet kunnen vernieuwen. Bij omvang- rijke blootstelling treden
duidelijke ziekte- beelden op. -Bij chronische belasting met lage concentraties
gifstoffen kan er een soort sluipende schade optreden, die je zou kunnen
beschrijven met de term 'ver- snelde veroudering'. Stoffen die via de neus
binnenkomen en makkelijk in vet oplossen zijn waarschijnlijk het meest ris-
kant. Uit het rapport blijkt dat de omvang van de bijdrage van de huidige
achter- grondbelasting aan de zogenaamde ouder- domsziekten op dit moment niet
valt te schatten. Het rapport pleit uit voorzorg voor strengere regelgeving. Milieuverontreiniging en
neurodegeneratieve dementie, door Chris Honselaar, Biologiewinkel, Haren, 2003. Wetenschapswinkel Courant. Jaargang 5
(2003) . Nummer 12 |